VS missen mandaat voor nieuwe aanval

Er bestaat geen resolutie van de Veiligheidsraad die een mandaat verschaft voor het gebruik van geweld tegen Irak in verband met problemen bij wapeninspecties. Wie zonder zo'n resolutie geweld gebruikt, maakt zich schuldig aan agressie.

Irak moet de wensen van de Veiligheidsraad niet ongestraft in de wind kunnen slaan. Integendeel, niets is urgenter dan een dreiging met of het gebruik van massavernietigingswapens af te wenden. Dat zulke wapens in het bezit zijn van iemand van wie denkbaar is dat hij er mee zal aanvallen, is uiterst gevaarlijk. Staten of personen die alles doen om zulke situaties te voorkomen, laten zich aan het welzijn van de wereld niets gelegen liggen. Maar daarom moeten de leden van de Veiligheidsraad overreed worden om zulke stappen te nemen. Tot dusverre zijn er geen aanwijzingen dat zij zich daaraan willen onttrekken.

Er bestaat alleen onenigheid over de aanpak - bij voorkeur wapeninspecties die, zonder minder doeltreffendheid te worden, de Irakezen minder tegen de haren in strijken. Een dergelijke soepelheid is bij wapeninspectieprocedures gebruikelijk.

Het grootste probleem is nu de in brede kring aangehangen, onjuiste overtuiging dat er een resolutie van de Veiligheidsraad zou bestaan die het gebruik van geweld tegen Irak toestaat. Men denkt dat er één of meer ondubbelzinnige resoluties in die richting bestaan.

Dat is niet het geval. Zo'n mandaat is er niet. Toen in april 1991 de Golfoorlog eindigde, besloot de Veiligheidsraad met resolutie 687 tot een lange lijst eisen aan Irak. Wanneer daaraan was voldaan, zou een officieel staakt-het-vuren van kracht worden.

Die eisen waren onder meer dat Irak “onvoorwaardelijk, onder internationaal toezicht, de vernietiging, verwijdering of het onklaar maken zal accepteren van: (a) alle chemische en biologische wapens en alle voorraden werkzame stoffen en alle bijbehorende nevenapparatuur en componenten en alle faciliteiten voor research, ontwikkeling, onderhoud en fabricage die daarmee verband houden; (b) alle ballistische raketten met een bereik groter dan 150 kilometer, en bijbehorende belangrijke onderdelen en faciliteiten voor reparatie en productie”. In de slotclausule van deze resolutie besloot de Veiligheidsraad “verdere stappen te zullen ondernemen die voor de tenuitvoerlegging van de onderhavige resolutie en voor de handhaving van vrede en veiligheid in het gebied vereist kunnen zijn”. Ook in resolutie 1137 uit 1997 spreekt de Veiligheidsraad het stellige voornemen uit, “verdere maatregelen te nemen die voor de tenuitvoerlegging van deze resolutie vereist kunnen zijn”.

Deze resoluties - de enige die relevant zijn - geven dus geen mandaat voor militair optreden. Er wordt geen land of lichaam genoemd dat op een of andere manier in actie zou mogen komen. Evenmin wordt gezegd wie - anders dan de Veiligheidsraad zelf - zou moeten beslissen welke stappen wanneer, “vereist kunnen zijn”. Als zo'n nadere aanduiding van die zaken werkelijk overbodig was, zou dat betekenen dat iedere lidstaat van de VN op ieder moment iedere resolutie van de Veiligheidsraad met geweld kunnen toepassen.

Er is nog een argument. Wanneer er in het verleden in de Veiligheidsraad consensus bestond over een militair optreden dat, zonder mandaat, op grond van het Handvest als agressie zou worden bestempeld, dan gebruikte de Raad altijd heel andere bewoordingen, tot het optreden werd bijvoorbeeld 'gemachtigd'. En dan werd ook de naam genoemd van degene die mocht optreden. Een voorbeeld hiervan is resolutie 169 uit 1961 over Congo. De Veiligheidsraad machtigde de secretaris-generaal daarin “om krachtdadige actie te ondernemen, zo nodig met gebruik van de vereiste mate van geweld”.

Ook bij resolutie 678 uit 1990 betreffende operatie 'Desert Storm' “machtigde” de Veiligheidsraad, als Irak niet aan de eis voldeed om zich conform enkele eerdere resoluties uit Koeweit terug te trekken, “de lidstaten die samenwerken met de regering van Koeweit [...] tot het gebruik van al het geweld dat noodzakelijk is om [de relevante resoluties] gestand te doen en ten uitvoer te leggen”.

De ongekende gevaren van onze tijd vereisen meer wijsheid, geduld en oprecht streven naar samenwerking dan onze voorouders ooit nodig hebben gehad. Laten wij hopen dat die kwaliteiten ook zullen triomferen.