Selectieve informatie

Journalistiek en politiek Den Haag - in die volgorde - is de afgelopen twee weken bevangen geweest door een koorts die de vorm van een collectieve zinsbegoocheling heeft aangenomen. Op allerlei niveaus zijn te grote woorden gebruikt voor branden en rampen die nooit zijn uitgebroken, voor gevaren die nooit een dreiging hebben gevormd en voor ongelukken die nooit zijn gebeurd.

Niettemin was er een 'crisis' die de Tweede Kamer in rep en roer bracht, de minister van Justitie naar drastische personele maatregelen deed grijpen en de minister-president voor zijn doen ongewoon zware woorden in de mond gaf. Volgens sommige waarnemers hield die 'crisis' een acuut gevaar in op ondermijning van de rechtsstaat uit te lopen als premier Kok niet heel zijn politieke gewicht in de schaal had geworpen en de muitende magistraten kordaat en onomwonden tot de orde had geroepen.

Intussen wachten we nog op het eerste feit om die woorden te staven. Van muiterij is niets gebleken, een gevaar voor de rechtsstaat is er niet geweest en van een crisis is evenmin sprake geweest. De enige vastsstaande feiten zijn dat een aantal gezagsdragers het hoofd heeft verloren en dat allerlei figuren van het tweede plan dingen hebben gezegd die de oplossing van het conflict eerder hebben vertroebeld dan opgelost. Zoals de hoofdofficieren van justitie, die met hun ongevraagde solidariteitsverklaring voor Docters van Leeuwen c.s. een actie hebben ondernomen waarmee geen enkel doel werd gediend. Om maar niet te spreken van de pompeuze tussenkomst van de Orde van Advocaten, die de toestand zo ernstig vond dat het land alleen nog gered kon worden door bemiddeling van oud-premier Lubbers.

Maar de belangrijkste paniekzaaier is minister Sorgdrager geweest. Zij heeft, zo blijkt uit de stukken die zij aan de Kamer heeft voorgelegd, maar vooral uit de stukken die zij niet heeft geopenbaard, de aanleiding van de 'crisis' - de onverenigbare nevenfuncties van de noordelijke procureur-generaal mr. D. Steenhuis - te groot voorgesteld. Ze heeft ook de houding van het college van procureurs-generaal tegenover dat belangenconflict verkeerd beoordeeld. Uit de stukken die zij niet naar de Kamer heeft doorgestuurd (zoals de brieven die de voorzitter van het college van procureurs-generaal, mr. A. Docters van Leeuwen, in zijn vraaggesprek met Marcel Haenen in NRC Handelsblad van jongstleden zaterdag heeft overgelegd) blijkt onder meer dat zij niet consequent is geweest in haar motivering van die achterhouding. Drie van de vier brieven die Docters van Leeuwen haar ter verdediging van zijn houding in het conflict heeft geschreven, heeft zij achtergehouden, op grond van de 'personeelsvertrouwelijke' aard. Maar de brief van Docters van Leeuwen die zij wel aan de Kamer heeft gestuurd, was even 'personeelsvertrouwelijk' als zijn drie andere verweerschriften.

Ook de rol van premier Kok verdient nader onderzoek. Hij heeft in zijn publieke interventies een toestand van crisis gesuggereerd die alleen op hear-say steunde, en wel op de voorlichting van de minister van Justitie. Die voorlichting was noch volledig, noch uitgekristalliseerd. De oorvijgen die de minister-president in zijn verklaringen op de televisie aan de procureurs-generaal uitdeelde, misten dus de kwaliteit van rijp beraad. Kok deed daarmee iets dat tegen zijn natuur inging. In plaats van olie op de golven te gooien, gooide hij olie op het vuur.

Naar het schijnt heeft Kok spijt van zijn fris van de lever uitgesproken ontboezemingen, omdat hij intussen wel inziet dat het conflict daardoor een onbedoelde escalatie heeft gekregen. Volgens “kringen rondom de minister-president, zowel op het ministerie van Algemene Zaken als in de PvdA” (aldus de kranten van de GPD) zou Kok nu vinden dat minister Sorgdrager de zaak veel te zwaar heeft aangezet. Hij zou zich geërgerd hebben aan “de spookverhalen van Justitie”. Dat mag zo zijn, maar dat maakt de zaak er niet beter op. Het is niet voor betwisting vatbaar dat Sorgdrager en Kok beiden paniekerig hebben gereageerd op wat zij hielden voor een confronterende frontvorming van het college van PG's. Kok heeft geen vuurvaste hand getoond in het doven van het vuurtje dat eendrachtig door pers en Justitie was aangestookt. De eisen die in tijden van (echte) crisis aan een minister-president worden gesteld vergen dat hij bestand is tegen stress, maar ook tegen hype. En al zou hij door tien ministers en alle media verkeerd zijn voorgelicht, voor wat de minister-president daarover publiekelijk zegt, is hij zelf verantwoordelijk. De Tweede Kamer, die zich tot dusver als een schoothond heeft gedragen, dient die verantwoordelijkheid op de proef te stellen. De brieven van Docters van Leeuwen geven voldoende aanleiding voor een onderzoek naar het tijdstip waarop de disciplinaire maatregelen tegen PG Steenhuis zijn genomen: vóór, dan wel na de voltooiing van het rapport-Dolman. Onder de schijn van volledigheid waarmee de Tweede Kamer over de kwestie is gedocumenteerd (tot en met de letterlijke weergave van de gesprekken die de betrokkenen met de onderzoeker dr. D. Dolman hebben gevoerd), is het nog geen Kamerlid opgevallen dat de belangrijkste bron nog steeds ontbreekt: de informatie die de minister-president van de minister van Justitie heeft gekregen, voordat hij de 'opstand' van de procureurs-generaal een halt toeriep.

Intussen wordt het met de dag duidelijker (onder meer uit de correspondentie die hij in deze krant heeft geëtaleerd) dat 'super-PG' Docters van Leeuwen niet de 'black knight' in het conflict is geweest waarvoor hij door de minister is afgeschilderd. Van alle figuren die in dit politieke pseudo-drama over een belangenconflict in de periferie van het openbaar ministerie de plank hebben misgeslagen komt de voorzitter van het college van procureurs-generaal eigenlijk als de meest normale figuur naar voren. Het zou absurd zijn als Steenhuis na een reshuffle zou mogen blijven en Docters van Leeuwen wegens zijn aandeel in een opstand die er nooit is geweest het veld zou moeten ruimen.