Klein-industrieel Kato verliest alweer de oorlog

In Japan valt het vaak te horen: “Wij hebben de oorlog voor de tweede keer verloren.” In de jaren veertig dachten veel militairen een goede zaak te dienen, maar na afloop kregen ze te horen dat ze 'fout' waren. Dat lijkt zich nu te herhalen in de economie.

TOKIO, 17 FEBR. “We waren gewend elkaar te helpen, maar die tijd is nu voorbij”, zegt Chizuo Kato, oprichter en eigenaar van een ijzergieterij in Tokio met honderd werknemers. “Dit is de tweede keer dat we de oorlog hebben verloren.”

Deze vergelijking van de huidige veranderingen in de economische orde met de oorlogsnederlaag is vaker te horen in Japan, al zal blijken dat er wel iets op af te dingen is. Kato zelf gebruikt de vergelijking omdat gangbare gebruiken opeens te kijk worden gezet als foutieve gebruiken.

En deze ervaring is oude Japanse soldaten goed bekend. “Ik heb gediend in de Tweede Wereldoorlog. Wij dachten iets goeds te doen, dat was ons tenminste zo verteld. Maar na de nederlaag kregen we bij thuiskomst te horen dat we een invasie-oorlog hadden gevoerd, een foute oorlog, en bovendien zei de keizer opeens dat hij geen godheid was.”

Dit ziet Kato ook in de huidige tijd: “Kijk naar de rechtszaak die loopt tegen producenten van gas- en watermeters wegens kartelvorming. Ze verdeelden de orders voor meters onder elkaar op basis van de grootte van ieders bedrijf. Zo hadden ze allemaal te eten. Nu krijgen ze opeens te horen dat dit een illegale praktijk is.”

Ook banken hebben nu een dergelijke ervaring. Ze waren gewend ambtenaren uitgebreid te fêteren om de relaties soepel te laten verlopen en de gewenste informatie te ontvangen. Nu staat deze handelswijze opeens te boek als corruptie. Het openbaar ministerie arresteert achter elkaar topfunctionarissen van banken en effectenhuizen. Onlangs gingen zelfs twee ambtenaren van het ministerie van Financiën achter de tralies. Maar een voormalig adviseur van de Bank van Tokio zei deze week over de arrestanten: “We kunnen ze niet al te veel kwalijk nemen want dit was een geïnstitutionaliseerd systeem.”

Het is deze financiële wereld waar momenteel de grootste veranderingen gaande zijn. Maar deze veranderingen werken door naar andere sectoren van de economie. De regering dereguleert en heeft onder meer aangekondigd maatregelen te nemen tegen banken die de internationaal vastgestelde norm voor eigen vermogen niet weten te halen. De norm bestaat al lang, maar de regering beschermde tot dusver banken die de norm niet haalden. Banken zien zich in de huidige minder florissante omstandigheden genoodzaakt hun leningen te beperken om het vereiste percentage eigen vermogen te halen.

Zodoende is in het midden- en kleinbedrijf de afgelopen maanden een noodkreet opgegaan wegens gebrek aan kredieten. “Maar het zijn alleen de slechtlopende bedrijven die deze problemen hebben”, zegt Kato. Kato is tevens voorzitter van een federatie van ijzergieterijen en zodoende actief in de corporatieve structuur van de Japanse industrie. “Als er werkelijk geld nodig is voor investeringen, bijvoorbeeld in nieuwe technologie, dan bespreken we dat als industrie collectief met het ministerie van Handel en Industrie. Het ministerie heeft zijn adviesraden en zorgt dat er geld beschikbaar komt als het dat nodig vindt.” Bedrijven die nu klagen over weigeringen van banken om geld te lenen zijn volgens Kato weinig levensvatbaar. Door de situatie van de banken heeft zodoende een 'natuurlijke selectie' plaats bij het midden- en kleinbedrijf.

Kato's eigen ijzergieterij is schuldenvrij en beschikt juist over ruime tegoeden bij de bank. De reden? Met een plof gooit hij een dikke stapel enveloppen op tafel, gevuld met Japanse en Amerikaanse patenten.

Pagina 17: Japanse buurtfabriekjes in knel

“Dit is een onafhankelijk bedrijf”, zegt Kato met grote nadruk. Hij produceert sierhekken die als eindproduct direct de klant bereiken. “Grote bedrijven als Honda hebben in het verleden gevraagd of ik als toeleverancier gietwerk wil doen, maar dat weiger ik. Als vaste afnemer willen ze op een gegeven moment aandelen in het bedrijf, vervolgens sturen ze een bedrijfsleider op je dak. Uiteindelijk zou ik de zeggenschap over mijn zaak kwijtraken.” Kato wil daarentegen zijn bedrijf aan zijn zoon nalaten, die inmiddels de dagelijkse gang van zaken in handen heeft.

Het toeleverancierschap heeft meer nadelen. Kato: “Er is geen droog brood mee te verdienen. Kijk naar Toyota. Toen de yen een aantal jaren geleden duurder werd en zij moeite hadden om tegen concurrerende prijzen te exporteren, zei Toyota tegen zijn toeleveranciers: 'In drie jaar tijd moeten jullie prijzen 30 procent omlaag.' Sommige bedrijven kunnen dat niet aan en gaan failliet.”

Kato's bedrijf is gevestigd in de wijk Ota in het zuiden van Tokio. Deze wijk is vanouds beroemd wegens de 'buurtfabriekjes' waar het voetvolk van de Japanse industrie in kleine, vieze werkplaatsen zich uitslooft voor de grote, wereldwijd beroemde industriële grootheden. Zo heeft elektronicaproducent Sony zijn oorsprong in een kleine werkplaats hier. Onder deze buurtfabriekjes, momenteel ruim 7.000, vallen geruisloos de faillissementen in Japan. Zo'n 10 procent van de werkplaatsen is sinds het klappen van de 'luchtbel' begin jaren negentig verdwenen, terwijl het totaal aantal werknemers is gehalveerd.

Eigenaar van zo'n bedrijf is Yoichi Ishikawa. Verspreid over een viertal kleine werkplaatsen in Ota maken zijn 28 werknemers onderdelen voor machinefabrikanten. De werkplaatsen zijn niet groter dan een garage voor twee of drie auto's en staan vol met draaibanken, freesmachines en kisten met metalen onderdelen. Sommige klussen zijn niet meer dan een enkele bewerking, waarna de kist met onderdelen doorgaat naar een volgend bedrijf in de schakel.

Ishikawa wil echter meer en om de strijd vol te kunnen houden heeft hij onlangs zelf een nieuwe draaibank ontwikkeld. Dankzij besturing via een PC draait de frees over vier assen waardoor hij bewerkingen kan uitvoeren die voorheen onmogelijk waren. Vierhonderdduizend gulden heeft Ishikawa erin geïnvesteerd waardoor hij ruim dertig procent goedkoper uit is dan wanneer hij het apparaat bij een grote producent had aangeschaft. Precies zoals Kato eerder aangaf, komt het geld voor deze investering niet via een gewone lening van een commerciële bank maar via de overheid. Ishikawa zegt dan ook zelf geen problemen te hebben met banken die geen geld willen lenen, waarover de pers zoveel bericht.

Ishikawa's 'buurtfabriek' staat onderaan in de keten van toeleveranciers die wordt gekenmerkt door “feodale verhoudingen”, aldus Ishikawa. “Salarissen bij ons zijn 60 procent van wat de grote industrieën betalen. Elk jaar moet de prijs van een product naar beneden. Dus als ik continu hetzelfde product lever komt de prijs uiteindelijk op nul. Maar als ik een nieuw product kan leveren begint het weer van boven af aan.” Om dat vol te kunnen houden heeft Ishikawa uit eigen zak geld geïnvesteerd in de nieuwe draaibank, waarop hij uitermate trots is. De draaibank zelf moet ook een verkoopproduct worden.

Het is deze weg van innovatieve producten en de liefde voor het maken van perfecte producten, die kleine bedrijven moeten inslaan om in de toekomst te overleven, meent Tomohiro Koseki. De 64-jarige Koseki is een eigenaardige eend in de bijt van de metaalbewerking. Sinds zijn achttiende staat hij in overall aan de draaibank. Tien werkgevers heeft hij inmiddels versleten. Twee keer werd hij ontslagen omdat hij binnen het bedrijf een vakbond wilde oprichten, andere keren vertrok hij zelf uit ontevredenheid of ging het bedrijf failliet.

“Kijk naar deze sluiting van een conservenblik”, zegt Koseki in zijn kleine huis in de wijk Ota. “Ook na opening snijd je je vingers niet aan de binnenkant van het blik. De Universiteit van Tokio heeft 250.000 gulden uitgegeven aan onderzoek om zoiets te ontwikkelen. Maar het lukte ze niet. Dit blikje is gemaakt door de eigenaar van een bedrijfje met zeven man personeel. Als toeleverancier van de grootindustrie alleen is niet te overleven, meent hij. Ondanks de verhalen over verminderende kredieten van banken en ook al ziet hij de faillissementen van buurtfabrieken in zijn wijk, toch meent Koseki niet dat het slecht gaat. Hij heeft een hele serie voorbeelden klaar van kleine bedrijven die op zoek gaan naar een kleine niche in de markt en hun eigen producten ontwikkelen. “De geïnspireerde mensen blijven over. Zelfs toeleveranciers moeten tegenwoordig kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe producten. Sommige van die buurtfabriekjes produceren precisie-onderdelen voor satellieten. We zijn in een overgangsfase want de tijd van grootschalige productie van auto's of televisies is voor Japan voorbij”, meent Koseki.

Ook Ishikawa ziet een fundamentele verandering. Vroeger zou hij er als toeleverancier niet aan hebben gedacht om zelf een computergestuurde draaibank te bouwen. De omstandigheden dwongen hem en hij is tevreden over het resultaat.

Toch zijn er zaken die niet veranderen. Ishikawa kan niet zonder het werk als toeleverancier en hij blijft dus dienen als “kussen” voor de kostenbeheersing van de grootindustrie. En hij is er trots op: “Ik ben te klein om mee te gaan als grote bedrijven hun productie naar het buitenland verplaatsen. Maar veel bedrijven komen de laatste tijd weer terug naar Japan omdat wij nu eenmaal betere kwaliteit leveren.”

Ook bij het bedrijf van Kato, die sprak over de “verloren oorlog” en het einde van de tijd waarin men elkaar helpt, zijn er zaken die nièt veranderen: “Onze verkoop is de laatste jaren met 25 procent ingezakt maar wij hebben niemand ontslagen. Dat doen we niet in Japan.” Op een hoger niveau behoudt ook de overheid het oude instinct om de helpende hand te bieden. Ondanks de strenge maatregelen die het wil nemen tegen banken die de grens voor het eigen vermogen, put de overheid zich nu uit in maatregelen om het halen van die grens zo makkelijk mogelijk te maken. Daarnaast maakt de regering extra geld vrij voor de industrie, zodat het beperken van kredieten door banken geen desastreuze gevolgen zal hebben.