EU twijfelt over lagere btw voor 'fietsenmakers'

BRUSSEL, 17 FEBR. Het wordt steeds twijfelachtiger of binnen de Europese Unie overeenstemming kan worden bereikt over verlaging van de btw op arbeidsintensieve diensten, bijvoorbeeld het werk van fietsenmakers. Minister Zalm (Financiën) zei gisteren dat het nog altijd “niet hopeloos” is. De Nederlandse bewindsman leek na afloop van het overleg van de Europese ministers van Financiën in de Ecofin-raad echter een van de weinigen die er nog in gelooft. Het voorstel werd door de ministers doorgeschoven voor nader “technisch” onderzoek door de Europese Commissie.

Vooral Duitsland, en ook Denemarken, verzet zich fel tegen het door Nederland gelanceerde plan voor lagere btw-tarieven voor onder meer schoenmakers en pretparken. Met het btw-plan moet de werkgelegenheid worden bevorderd.

Tijdens de Europese top over werkgelegenheid vorig jaar november besloten de regeringsleiders na moeizaam overleg dat de lidstaten zouden gaan onderzoeken of ze de btw op arbeidsintensieve diensten kunnen verlagen. Eerder had Eurocommissaris Mario Monti (belastingen) gesproken over mogelijke experimenten met zo'n btw-plan. Voor een vrijwillig experiment is echter wijziging nodig van de zesde btw-richtlijn. Hiervoor is een unaniem besluit van de EU-lidstaten nodig.

Tijdens de Ecofin-raad bleek gisteren opnieuw dat die unanieme steun er niet is en er zeer waarschijnlijk ook niet komt. De Duitse staatssecretaris Jürgen Stark wees gisteren een experiment volstrekt van de hand. Hij vreest “grensoverschrijdende” effecten, wanneer in bijvoorbeeld Nederland kappers en schoenmakers een lager btw verschuldigd zijn dan in Duitsland. In Duitsland bestaat ook de vrees dat de eigen dienstverlenende sector zal vragen om een lager btw-tarief, indien Nederland een dergelijk experiment begint. Dat zou voor de Duitse fiscus een aanzienlijke derving van inkomsten betekenen. Stark zei gisteren dat ook Duitsland voorstander is van een belastingvriendelijk regime voor arbeid, maar dan niet via een lagere btw. Een algehele lastenverlichting voor arbeid is volgens Stark een veel beter instrument. Eurocommissaris Monti leek gisteren ook weer afstand te nemen van een experiment. Hij onderstreepte gisteren dat een lagere btw niet moet worden gezien als het “enige, exclusieve of belangrijkste” belastinginstrument voor werkgelegenheid.

Het btw-plan zal nu op zijn technische merites worden bestudeerd door een ambtelijke commissie. Hierbij wordt onder meer gekeken naar sectoren die in aanmerking zouden kunnen komen, het effect op de werkgelegenheid en op de nationale begrotingen. Eurocommissaris Monti kwam gisteren, zoals afgesproken, overigens al met een uitgebreide lijst van sectoren die in principe voor een lager btw-tarief in aanmerking zouden kunnen komen. Minister Zalm noemde dat “onhandig”, omdat het bepaalde landen nog terughoudender zou maken. “Een beperktere lijst had kou uit de lucht kunnen halen”, aldus Zalm.

Een lagere btw op arbeidsintensieve diensten kan belangrijk zijn als onderdeel van het onlangs gepresenteerde Nederlandse belastingplan voor de 21ste eeuw, waarin bijna tien miljard gulden wordt verschoven van directe (inkomstenbelasting) naar indirecte belasting. In dit plan zou het algemene btw-tarief van 17,5 naar 19 procent gaan. Daarbij zou de btw op arbeidsintensieve diensten naar het lage tarief van 6 procent kunnen.

Een lid van de Nederlandse delegatie erkende gisteren dat veel “druk op de ketel” nodig is om het onderwerp zelfs nog op de agenda te houden.