Ernst Jünger (1895-1998); Vriend en vijand

De eenentwintigste eeuw zou de eeuw worden van de 'Titanen', heeft Ernst Jünger meer dan eens geschreven. Maar zelf zal hij het niet meer meemaken. Vandaag overleed Jünger op de onwaarschijnlijke leeftijd van 102, iets meer dan een maand voor zijn verjaardag.

Geboren in 1895 te Heidelberg als zoon van een apotheker, omspant hij met zijn lange leven net niet de hele twintigste eeuw, waarin hij als soldaat, schrijver en filosoof van zich heeft doen spreken.

Over de rangorde kan men twisten, niet over de chronologie. Als soldaat nam Jünger, na zich als vrijwilliger te hebben gemeld in de zomer van 1914, deel aan de Eerste Wereldoorlog en als held, onderscheiden met de hoogste orde Pour le Mérite, kwam hij uit de strijd. Als schrijver verwierf hij bekendheid met boeken over zijn ervaringen in de loopgraven, waarvan In Stahlgewittern (1920) door André Gide 'het mooiste oorlogsboek' werd genoemd. Als filosoof verwerkte hij zijn oorlogservaringen tot een groots en huiveringwekkend visioen van de moderne tijd, waarin het verschil tussen oorlog en vrede van ondergeschikt belang was geworden en ook de vredestijd werd gekenmerkt door wat Jünger in een spraakmakend essay uit 1930 een 'totale mobilisatie' heeft genoemd.

In de jaren twintig werd hij de spreekbuis van de naar revanche hunkerende oud-frontstrijders. Het bracht hem, met fanatieke pleidooien voor een nieuw nationalisme, in de buurt van Hitlers NSDAP, zonder dat het overigens ooit tot een lidmaatschap kwam. De nazi's waren de estheet Jünger, die ook in zijn oorlogsboeken een scherp en meedogenloos oog toonde voor de schoonheid van dood en verderf, te vulgair en bovendien te weinig radicaal. Met name de opportunistische parlementaire politiek van Hitler en zijn partij stond hem niet aan. Toen Hitler hem een zetel in de Rijksdag aanbood, zou hij deze hebben afgewezen met het argument, dat het zinvoller was één versregel te schrijven dan zestigduizend 'idioten' te vertegenwoordigen in een parlement.

Na de machtsovername in 1933 trok Jünger zich terug in een innere Emigration, nadat hij een jaar tevoren zijn meest visionaire boek Der Arbeiter had geschreven. Hierin treden voor het eerst de 'Titanen' op, zij het nog slechts in de gedaante van 'arbeiders'. Jünger bedoelde daarmee niet een bepaalde sociale categorie, maar in de toekomst die hij voorzag zou iedereen 'arbeider' zijn, een 'type' dat de techniek zou dragen als een 'uniform'. Zijn boek leest als een blauwdruk van alle totalitaire regimes, die de twintigste eeuw hebben geteisterd, en zo was het ook bedoeld - niet als een aankondiging van alleen het Derde Rijk, dat aan Jüngers visioenen geen behoefte had.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam hij als officier deel aan de veldtocht in Frankrijk, waar hij na de overwinning verbonden was aan de staf van de Wehrmachtsbefehlhaber. In het bezette Parijs had hij vele contacten met Franse schrijvers en kunstenaars, en ook met de samenzweerders die op 20 juli 1944 een mislukte aanslag op Hitler zouden plegen. Voor de laatsten schreef hij Der Friede, een schets voor de wederopbouw van Europa na de nederlaag van Duitsland.

Voor velen kwam Jüngers inzicht in de rampzalige gevolgen van het totalitarisme te laat. Tot het eind toe is hij er daarom in geslaagd een omstreden auteur te blijven, die met zijn duurzame wantrouwen jegens de democratie ook na 1945 in Duitsland een levende herinnering was aan een verleden dat men liever zou vergeten. Jünger gaf zijn vijanden daartoe echter niet de kans, want hij bleef publiceren. Het ene eigenzinnige boek volgde na het andere, geschreven in een klassieke, ongenaakbare stijl, waarin droom en werkelijkheid op een wonderlijke manier met elkaar vervloeien - net als in zijn bekendste roman Auf den Marmorklippen (1938), die destijds door menigeen werd gelezen als een verkapte aanval op de nazi-dictatuur.

Op latere leeftijd heeft Jünger zijn publiek vooral aan zich gebonden met zijn dagboeken, eerst die over zijn Parijse oorlogsjaren, daarna die over zijn leven in het landelijke Wilflingen. Het laatste deel daarvan (Siebzig verweht V) verscheen vorig jaar, en in een van de notities lezen we wat hij van zijn omstreden positie vond: 'Dat iemand omstreden is, wordt hem meestal als iets negatiefs aangerekend. In elk geval betekent het dat hij vrienden heeft'.

De vijanden kunnen voortaan opgelucht ademhalen, de vrienden kunnen nu proberen om, los van alle politieke voetangels en klemmen, aandacht te vragen voor de schrijver Jünger, die er bij alle tumult rond de persoon wel eens wat bekaaid is afgekomen.