Docters kon best echt ziek zijn

Een paar ouderwets strenge eindredacteuren zouden in het tijdperk van de mediahypes nuttig werk kunnen doen, vindt Charles Schwietert. Zij voorkomen dat onnodig veel mensen ziek worden van de media-aandacht.

Twee van de hoofdrolspelers in de mediahype rondom het openbaar ministerie, de heren Docters van Leeuwen en Steenhuis hebben zich in de loop van de laatste drie weken ziek gemeld. Ze gingen, zoals één hunner zei, “kapot” aan het beeld dat de media van hen naar buiten brachten. Omdat het heren betrof die in het verleden zelf ook nogal eens stevig te werk gingen waar het de interrelationele contacten betrof, klonk al snel het woord 'schoolziek'. De ziekte werd bestempeld als gedrag dat je van mensen in die posities niet direct zou verwachten.

Toch is het zeer goed mogelijk dat de beide PG's de druk van de media en de daarmee gepaard gaande beschadiging van hun imago werkelijk niet hebben kunnen weerstaan. Het zou in ieder geval niet uniek zijn.

Uit een onderzoek uit 1993 waarin ik 618 gevallen van 'imagobeschadiging' onderzocht, is gebleken dat in die gevallen maar liefst 73 procent van de mensen, die object van een affaire waren geweest, dat als uitermate ellendig hadden ervaren. De helft van de groep had zo'n last van stress of depressie gehad dat men een tijdje om medische redenen uit de roulatie was geweest. In 18 procent van de gevallen leidde het voorval tot blijvende gezondheidsproblemen.

Ook het aantal mensen dat relatie- of drankproblemen kreeg was groter dan in een vergelijkbare groep mensen die niet de media over zich heen had gekregen. Er kwamen zelfs enkele zelfdodingen voor. Zo maakte de Franse premier Pierre Bérégovoy op 1 mei 1993 met het dienstpistool van zijn lijfwacht een eind aan zijn leven.

In zijn lijkrede voor Bérégovoy beschuldigde president Mitterrand de pers van 'hyena-praktijken'. Vervolgens laaide de discussie op over de vraag: wie controleert de pers? Of, zoals het D66-Kamerlid Dittrich het in het dagblad Trouw van 3 februari noemde: wie controleert de waakhond van de democratie? Een dergelijke vraag komt op na iedere mediahype, of deze nu professor Diekstra, prinses Diana, president Clinton of de PG's Steenhuis en Docters van Leeuwen betreft. De hype wordt zelf nieuws.

Na de politiek is er geen beroepsgroep die zichzelf zo nauwgezet in het oog houdt als de journalistiek. Daarbij wordt meestal niet met fluweelzachte handschoenen gewerkt. Trut, domkopje, brekebeen, eikel, nonvaleur, schofterige drammer, leugenaar, schlemiel, incompetente vlerk: het zijn enkele van de talrijke kwalificaties die de dames en heren journalisten elkaar in het recente verleden toedichtten.

In mijn onderzoek uit 1993 vroeg ik aan journalisten van diverse media welke professionele feilen ze het meest tegenkwamen in het werk van hun collega's. Men verweet elkaar vooral onzorgvuldigheid. Maar ook sensatiezucht, domheid, een gebrek aan professioneel gedrag en rancune scoorden hoog.

Zolang men elkaar binnen de beroepsgroep te lijf gaat is er weinig aan de hand. Het op de man of vrouw spelen wordt niet gezien als imagobeschadiging van de professie. Dat wordt anders als een buitenstaander, dus een niet-journalist, of iemand die object van negatieve berichtgeving is geweest, een kritische opmerking maakt over de media. Dan treedt een ander mechanisme op. Er is geen beroepsgroep, zelfs de medische stand niet, die collectief zulke lange tenen heeft en zo gevoelig is voor aantasting van het imago als de journalistiek. “Blaffen tegen de waakhond van de democratie wordt opgevat als het muilkorven van de pers”, zegt Dittrich terecht.

Bij het vestigen en bij het afbreken van imago's zijn de media cruciaal. In de laatste tien jaar is het aantal PR-bureaus dan ook verdriedubbeld. Hetzelfde is het geval met de 'bestaffing' van de voorlichtingsdiensten van departementen, gemeentes, ziekenhuizen en andere non-profitinstellingen, sportorganisaties en brancheverenigingen. Imago's blijken van cruciaal belang voor beursgenoteerde ondernemingen, die daar dan ook hooggekwalificeerde medewerkers, tot leden van de Raad van Bestuur toe, voor aannemen. Het management van de publieke opinie is ook in Nederland uitgegroeid tot een wetenschap met eigen hoogleraren en eigen wetenschappelijke tijdschriften.

Ook bij deze vorm van management gaat het er stevig aan toe. Het fenomeen 'lekken' is er een onderdeel van. Laster, roddel, het verspreiden van valse geruchten, het etaleren van de fouten van de concurrentie en het benadrukken van de eigen voortreffelijkheid, het hoort er allemaal bij.

Dat dit soort 'guerrillamarketing' binnen het bedrijfsleven, binnen de politiek en binnen de ambtenarij veelvuldig wordt toegepast, wordt natuurlijk door bestuurders, politici, voorlichters, ambtenaren, PR-adviseurs ontkend. Men is doodsbang voor het imagobeschadigende boemerangeffect. Meestal is er ook niets te bewijzen. Maar journalisten weten wel beter. Ze leven ervan.

Soms zet de RVD de rijksrecherche in om lekken te achterhalen. En in het bedrijfsleven worden detective- of beveiligingsbedrijven ingeschakeld. Maar vrijwel nooit leidt dat tot iets. Het is onderdeel geworden van het zakendoen en van het politiek bedrijf. Maar soms gaat het fout met dit management van de publieke opinie. Dan valt de intrigant of degene die de zaak laat lekken in zijn eigen zwaard.

Het heeft er de schijn van dat dit nu met het openbaar ministerie is gebeurd. Het imago van de dienst en haar topleiding is de laatste tijd in ieder geval niet verbeterd. Het OM heeft daar nu ongetwijfeld veel last van en het zal daar ook wel wat aan laten doen. Dat moet ook. Want ook het OM is een waakhond van de democratie en het kan zich niet veroorloven dat een groot deel van de bevolking weinig vertrouwen in de dienst heeft.

Dittrich heeft in zijn artikel een college van vier wijze mannen voorgesteld, die af en toe hun mening over dit soort echte of vermeende mediahypes moeten geven. Daar zou een preventief effect van uitgaan. Dat idee is alom neergesabeld. Daarbij is verwezen naar de Raad van de Journalistiek waar men met klachten terecht kan en naar de onafhankelijke rechter.

Is dat wel zo? De Raad van de Journalistiek is op zichzelf een interessant gremium, maar deze heeft nauwelijks effect. Het is beroepsrechtsspraak met alle nadelen van dien. Bovendien beschikt men niet over sancties. Uitspraken van de Raad halen ook vrijwel nooit de publiekspers. En de onafhankelijke rechter is voor vele mensen een brug te ver omdat een procedure daar ingewikkeld is en veel geld kost. Bedrijven zijn meestal te angsthazerig omdat op die manier de kwalijke publiciteit wederom wordt opgerakeld.

Aan een apart college van wijze mannen zoals Dittrich dat nu voorstelt, dat een publieke discussie moet opstarten, is volgens mij echter ook geen behoefte. Ten eerste leidt een enigszins uit de hand gelopen mediahype altijd tot een forse discussie over de deontologie van de pers. Daarnaast interesseert het de gewone lezer of kijker allemaal weinig. Men verwijt journalisten toch al wel erg veel met zichzelf bezig te zijn. Ambitieus opgezette tv-programma's, waarin de media al dan niet op ludieke wijze worden behandeld, behalen doorgaans lage kijkcijfers en verdwijnen binnen een of twee seizoenen weer van de buis.

Wanneer er in een ziekenhuis veel operaties verkeerd gaan, moet je niet het medisch tuchtcollege uitbreiden of meer gaan vergaderen, je moet zorgen dat er betere chirurgen worden aangenomen. Een paar kwalitatief zware, en ouderwets strenge eindredacteuren zouden in het tijdperk van de mediahypes wel eens heel preventief kunnen werken.