'Chinezen zijn rijk en wij moeten meer betalen'

In Indonesië zijn rellen uitgebroken over de gestegen voedselprijzen. In de hoofdstad Jakarta is het nog rustig, want daar is rijst nog relatief goedkoop.

JAKARTA, 17 FEBR. De mensen verstoppen hun zorgen eerst achter gelach en veel grapjes maar dan praten ze toch vooral over de prijzen van voedingsmiddelen, die zo gestegen zijn. En natuurlijk weer over de etnische Chinezen. “Hier zijn geen winkels van Chinezen in brand gestoken, nog niet”, zegt Ibu (mevrouw) Choira, een gezette vrouw die haar kroezend haar strak naar achteren heeft gebonden. Ze zit op de bank voor Toko Indomie, een weidse benaming voor een uitstalkastje met wat pakjes kreteksigaretten, supermie, snoep en flesjes frisdrank.

De omgeving maakt een bedrieglijke indruk. De wirwar van smalle betonnen straatjes, met aan weerszijden het open riool. Het geluid van de kippen die overal vrij rondlopen, en van populaire dangdut-muziek die uit talloze kleurentelevisies klinkt. De lage, piepkleine huizen, soms met een verdieping van golfplaten en triplex. En de vrouwen die allemaal met een peuter op de heup lijken rond te lopen.

Dit zou een kampong kunnen zijn, waar dan ook in Java. Maar dit is Kelurahan Kebon Sirih, een buurt midden in het dure zakendistrict van de Indonesische hoofdstad Jakarta. Hier wonen sinds jaar en dag vooral de oorspronkelijke Jakartanen, de orang Betawi. De glanzende kantoorpaleizen die symbolisch zijn voor de economische voorspoed onder de president Soeharto, staan langs een paar brede avenues, die het oudere en armere Jakarta doorsnijden van Soeharto's voorganger, wijlen president Soekarno.

De mensen in Kebon Sirih grappen dat ze rijkaards zijn, want de grond waarop hun bouwvallen staan kost drie miljoen roepia (750 gulden) per vierkante meter. Een gemiddeld maandsalaris bedraagt hier 300.000 roepia. Problemen zijn er niet, want alles gaat altijd baik, baik (prima). Maar de zware economische crisis die Indonesië in zijn greep heeft, waardoor praktisch het gehele bedrijfsleven technisch failliet is, miljoenen arbeiders op straat zijn komen te staan, en de prijzen omhoogschieten, treft ook deze wijk. Mas Zaenal, een jongeman die op een plastic stoel is aangeschoven, nadat hij een kreteksigaret heeft gekocht, vertelt dat hij drie kinderen moet voeden. “En ik heb geen werk. Ja, af en toe maak ik hier in de wijk de riolen schoon.” Zijn vrouw duikt op uit een nog smallere zijsteeg en fluistert iets. Zaenal geeft haar 1000 roepia (25 cent).

Een groepje buurvrouwen, dat een paar straten verderop zat te kletsen, heeft al verteld wat je daarvoor kunt kopen: een halve kilo rijst bijvoorbeeld, of twee eieren. Ibu Hedianti, die ook een klein winkeltje drijft, en Ibu Annie, die gehurkt op een houten bord de was doet, zijn, net als de andere mensen in de buurt, goed op de hoogte van wat er de laatste paar dagen in Java is gebeurd. Op tientallen plaatsen zijn rellen uitgebroken en hebben woedende demonstranten de winkels en andere bezittingen van Chinezen in brand gestoken. “Maar wat wil je ook”, zegt Hedianti, “die Chinezen zijn rijk, terwijl wij steeds meer moeten betalen voor ons voedsel.” Ook in deze buurt wonen veel Chinezen, zeggen de buurvrouwen. Ibu Hediantie knikt veelzeggend naar een huis vlakbij. “Daar wonen er ook een paar.” Maar dat huis ziet er geen haar beter uit dan de rest van de huizen hier. De vrouwen halen hun schouders op.

Bij Toko Indomie heeft ook Ibu Choira begrip voor wat er elders in Java gebeurt met Chinezen. Zelf is ze ook afkomstig van Midden-Java en daar wonen nog veel van haar verwanten. “De mensen zijn bang voor honger, dan is het toch normaal dat ze emotioneel worden?” Bapak (meneer) Nardi lacht instemmend. Hij is wat ouder, heeft het traditionele zwarte peci (kalotje) op zijn hoofd en zijn ogen verborgen achter een donkere zonnebril. Nardi werkt als nachtwaker bij een Toyota-garage in de buurt. Tot nu toe heeft hij wat afwachtend op een afstand staan toekijken. Hij schraapt zijn keel, en spuugt in het riool. “Veel Chinezen zijn al uit deze buurt vertrokken, naar rijkeluiswijken als Pondok Indah en Cinere.”

Toch is het opvallend dat overal op Java rellen uitbreken, maar niet in Jakarta. Volgens Nardo komt dat niet alleen omdat er zoveel veiligheidstroepen gelegerd zijn in en rond de hoofdstad. “In deze en andere wijken zorgt het staatsdistributiebedrijf BULOG ervoor dat we goedkopere rijst, suiker en dat soort dingen kunnen krijgen. Daardoor zijn de mensen hier nog redelijk tevreden.”

Iedereen moet even de benen intrekken zodat de groentenman voorbij kan. Het karretje is rijkelijk gevuld met allerlei soorten groenten. Er liggen zelfs een paar eieren en drie visjes tussen het gebladerte. Wat gebeurt er hier als de groentekar leegraakt? Nardi en Zaenal zwijgen. Een paar andere mannen in de buurt kijken de andere kant op. Ibu Choira zegt: “Misschien gebeurt dat niet, Alhamdullilah (godzijdank).”