Zoniënwoud

Een toeristische bezienswaardigheid en een aan te bevelen regio voor wandelingen in het Brusselse is het Zoniënwoud, eens als oorzaak aangewezen voor de Frans-Nederlandse taalgrens uit lang vervlogen Romeinse tijden.

Toen we daar eens wandelden met de kinderen en de vraag naar ijs en drank niet meer te stuiten was, stopten we bij een net iets te dure gelegenheid met terras, groot als een voetbaltribune en bezet door duur Brussels volk. Een norse kelner, kinderloos allicht en met te veel aftershave, wees ons een plaatsje aan ver van het terrascentrum. Een gezellig vrijetijdsgevoel was iets anders, vandaar dat aan de kinderen strikt opdracht werd gegeven zich te gedragen en zich te beperken tot normaal ademen.

“Sieudame”, siste de kelner en we bestelden.

Er reed nu een wagen voor, merkloos en misschien wel op bestelling gemaakt. Het terrasvolk had kunnen applaudisseren maar deed het niet. De heer - een ambassadeur schatte mijn vrouw, een pooier dacht ik - opende galant het portier en liet een dame uit, verpakt zoals de Parijse mode voorschrijft. Ze namen plaats gelukkig niet naast ons maar toch nog in handbereik.

De ober sloop slaafs bij: “Sieudame?”

De man dan: “Que voulez-vous, chérie? Du thé? Pour nous deux thés donc.”

Op de tribune keerde de rust terug, de kelner acteerde opvallend beter, een tea time met feestlintje. De 'ambassadeur-pooier' begon toen plots in zijn zakken te zoeken naar iets, hij stond er zelfs voor recht. Maar hij vond niets. Ging weer zitten en tussen al die Frans taterende Brusselaars riep hij opgewonden in plat Hollands: “Nou ben je weer vergeten een zuivere zakdoek in mijn zak te steken, Miep toch!”

Het Zoniënwoud kleurde plots anders, Brussel degradeerde tot een boerendorp in Drenthe en ik gaf mijn kroost ruiterlijk de ruimte tot gesprek.

Zo kreeg Kees Fens nog gelijk toen die schreef: “Brussel is een nutteloze halte, tussen twee schoenwinkels.”