'Zeven procent Nederlands blijft minimum'

Al anderhalf jaar duurt het conflict tussen staatssecretaris Nuis van Cultuur en de Nederlandse orkesten. Zij willen zich niet neerleggen bij zijn eis om minstens zeven procent Nederlandse muziek te spelen. Nuis blijft bij zijn standpunt, ook na een advies van de Raad voor Cultuur om niet alle orkesten hetzelfde minimum op te leggen.

ZOETERMEER, 16 FEBR. Staatssecretaris Aad Nuis (OCW) blijft bij zijn omstreden standpunt dat alle Nederlandse orkesten minstens zeven procent van de tijd die zij op het podium zitten, moeten besteden aan het spelen van Nederlandse muziek. Nuis zegt dat vandaag in een brief aan de Tweede Kamer, die hem nu al anderhalf jaar unaniem steunt in zijn principiële conflict met een deel van de Nederlandse muziekwereld. Die eist vrijheid en een eigen verantwoordelijkheid in artistieke zaken op.

Nuis reageert in zijn brief op een advies van de Raad voor Cultuur, die zich vorige maand had uitgesproken tegen een voor alle orkesten gelijke minimumnorm. Ook pleitte de Raad voor stimulering in plaats van de boetes, die Nuis de orkesten sinds 1 januari vorig jaar kan opleggen. Net als de Raad voor Cultuur verwerpt Nuis een 'plan' van de Nederlandse orkesten, waarin zij in november vorig jaar aangaven wat zij aan Nederlandse muziek willen spelen. De orkesten zijn tegen de 'dwangmaatregel' van Nuis en de daaraan verbonden boetes. Zij gaven in hun plan geen enkele garantie voor de hoeveelheid Nederlandse muziek die zij in de toekomst zullen spelen.

Nuis: “De Raad voor Cultuur zegt: 'het plan van de orkesten is een aardige aanzet, maar het is het nog niet het goede.' Ik vraag nu aan het CNO, het Contactorgaan van Nederlandse Orkesten, om het plan uit te werken. Ook vraag ik de individuele orkesten hun eigen plannen te sturen naar de Raad voor Cultuur, zodat we weten waarover we het hebben.

“We zijn er nog niet, en zo lang dat niet het geval is, blijven we waar we zijn. Ik ben bereid de kwantitatieve maatregel te vervangen door een kwalitatieve, want dat is altijd beter. Maar de minimumnorm van 7 procent is en blijft een bodem. Die maatregel wordt pas ingetrokken als de orkesten een goed plan hebben, waarin die wordt gehaald, zodat die overbodig is.”

Nuis geeft de orkesten een paar suggesties om het plan te verbeteren. “Iedereen zegt dat hij meer Nederlandse muziek wil bieden, maar dat het publiek het niet wil. De belangrijkste vraag is dus: wat doen jullie aan het werven van publiek? Wat is bij elk orkest het educatieve beleid, dat een structurele basis onder het geheel moet leggen? Want er moet geen Nederlandse muziek worden gespeeld voor lege zalen.”

Volgens Nuis is het 'plan' van de orkesten niet veel meer dan een inventarisatie van wat zij toch al zouden spelen. “Ik denk dat er een ietwat naïeve opvatting bij de orkesten leeft: 'als die staatssecretaris maar ziet hoeveel we al doen, dan slikt hij zijn uit onnnozelheid geboren gedachte dat we niet genoeg doen wel in.'

“Zo is het niet. Ik vond dat het te weinig was en ik vind dat het nog steeds te weinig is. Als ik dan van de orkesten de verzamelde programmaboekjes terug krijg, zeg ik met de Raad voor Cultuur: 'aardig hoor, maar wat zijn jullie nu eigenlijk van plan?' De tijd tikt sinds 1 januari 1997 door. Ik vraag de orkesten nu om per 1 april met concrete plannen te komen.”

Met het pleidooi van de Raad voor Cultuur voor meer subsidie voor bijzondere projecten zegt Nuis weinig moeite te hebben. “Ik heb daarvoor al een miljoen toegezegd aan het Fonds voor de Podiumkunsten. Het is bescheiden en ik wil dat misschien ook versterken. Maar het is niet de bedoeling dat je het steeds heel bijzonder en rijp voor premiëring vindt, als er ook maar iets gebeurt aan Nederlandse muziek.

“Meer moeite heb ik met Raads-advies om de normen per orkest te differentiëren, zeker als dat zou inhouden dat er minder Nederlands wordt gespeeld dan zeven procent. Die norm heb ik altijd gezien als een minimum, dat voor iedereen te halen moet zijn. Toen ik las over een aparte norm voor elk orkest, dacht ik: 'die Raad wil mij nog veel nauwkeuriger laten ingrijpen in het muziekleven dan ze me verwijten nu al te doen. Ik ga niet zeggen: 'jij drie procent en jij tien procent', want ik weet niet waarop ik dat moet baseren.”

Nuis spreekt zich ook uit tegen een gemiddelde hoeveelheid Nederlandse muziek, die de orkesten gezamelijk zouden moeten halen. “Ik wil niet dat de één buiten schot kan blijven, zolang de ander erg veel doet. Dat is ook het nadeel van een beloningssysteem, dat de Raad voorstelt. Dan kunnen sommigen zich toch onttrekken aan die taak, die ik zo vanzelfsprekend vind.

“Alle Nederlandse orkesten moeten zich iets gelegen laten liggen aan de Nederlandse muziek. Iedereen kan daaraan een eigen invulling geven, maar ik heb er geen enkel begrip voor als men dat niet wil. Ik vraag me ook af waarom Nederlandse musici, die er toch als eersten in moeten geloven, dat zo weinig doen. Hoe komt het dat men op conservatoria, waar jonge instrumentalisten naast jonge componisten werken, daarin niet is geïnteresseerd? In de kunstvakopleidingen let men misschien te veel op het eigen vak.”

Nuis vindt een quoteringsmaatregel in bepaalde gevallen een nuttig instrument van cultuurpolitiek. “Ik geef toe dat het niet het mooiste is. Ik heb nu een bodem gelegd, en het zou onverstandig zijn die er voortijdig onderuit te trekken. De orkesten hebben al acht jaar geleden beloofd veel inspanningen te doen om de Nederlandse muziek te bevorderen. Toen ze dat nu weer beloofden, dacht ik: daar maken we een subsidievoorwaarde van. Maar wel op grond van het feit dat ze het zelf wilden, al lukte het dan tot nu toe helemaal niet.

“Je kunt dat dwang noemen, maar het gebeurt wel binnen de regels van het spel. In de excuses beluister je bijna nooit artistieke overwegingen en bijna altijd marktoverwegingen, omdat de zaal bij Nederlandse muziek niet vol zit. Dan denk ik: 'dat is dwang van de markt en het is goed als ik wat tegendruk geef.' Subsidiëring, het hele cultuurbeleid, is druk tégen de markt. Het ene orkest dat risico's neemt en daaraan geld kwijt is, wordt beloond. Dat wordt betaald uit de boetes voor de orkesten die die inspanning niet leveren.

“Uit de hardnekkigheid waarmee de orkesten zich niet aan beloftes houden, blijkt dat de liefde voor de Nederlandse muziek misschien iets minder vurig is, dan men soms aangeeft. We zijn nu wel wat verder, er is een gesprek met de orkesten en we kunnen de druk vergroten. Daar gaan we rustig mee door, al zal het lang duren voordat men overal uit zichzelf en van harte Nederlandse muziek speelt. Bij de ensembles en bij sommige orkesten doet men dat wel, dat groeit geleidelijk. Ik hoop dat het op den duur een vanzelfsprekendheid wordt.”

Voor de komende Tweede Kamerverkiezingen heeft Nuis (D66) zich niet kandidaat gesteld. “Of ik hier blijf, hangt af van de vraag of ik als bewindsman word terug gevraagd en of er iets valt te regeren. Als dat niet het geval is, is het erg verleidelijk eruit te stappen en er een mooi boek over te schrijven. Maar het is een vergissing te menen, dat als Nuis weg is, die zevenprocent-maatregel weg is. Die maatregel wordt gedragen door de Tweede Kamer. Een ander bewindspersoon kan daar een slagje anders over denken, maar dat kan net zo goed de ene kant op zijn als de andere. Speculaties daarover hebben geen zin.”