We benne niet wois

Mijn moeder is gestorven, zevenentachtig jaar oud. Nadat drie maanden lang haar plek in de wereld had bestaan uit een halve tafel in het ziekenhuis, werd ze overgeheveld naar de wereld van de ondoden, het verpleeghuis. 'Ja ik snap het', had ze nog gezegd met betrekking tot het intake-gesprek, 'ik moet goed mijn best doen', en zo kwam ze op de somatische afdeling terecht, die echter minstens zoveel stakkers herbergde als de psychische, of hoe die ook heet. Ze kwam, zag en sloot haar ogen om ze niet meer open te doen. Hier wou ze niet zijn.

Mijn zuster en ik keken elkaar aan. 'Bij jou?' 'Bij mij?' Onmogelijk, al konden we in de diepte van onze eerlijkheid niet helder uitleggen waarom. En we zagen hoe onze moeder vanuit haar rolstoel in haar bed werd getakeld. Onmogelijk, dat begreep gelukkig iedereen.

'Onwaardig', zei mijn zuster en ik was het volkomen met haar eens, al besefte ik dat die kwalificatie voornamelijk iets over onze schrik zei en niet over het bewustzijn van onze moeder, dat, helaas, tot op het laatste moment helder is gebleven. Zij wilde hier niet zijn, ze wilde dat het maar afgelopen was en ze wilde voor altijd bij ons blijven. Dat vreselijke gevecht had niets meer met waardigheid van doen.

Twee weken later belde de arts van het verpleeghuis mij op, een jonge, heldere, doortastende vrouw. Moeder was aan het uitdrogen, moest er nog een infuus aangebracht worden of moesten we het maar zo laten, was de vraag. Zo werd ik plotseling geconfronteerd met de vraag, die de abstractie van de ethische discussie van de laatste tijd in één klap van tafel veegde.

Het ging mij te snel. En vooral vond ik dat mijn moeder zelf antwoord moest geven (die euthanasieverklaring van haar deed er in het aangezicht van de dood ook niets meer toe - voor mij). Ik verzon dat moeder in de meest optimale conditie moest worden gebracht om die vraag te kunnen beantwoorden. Dus een infuus en antibiotica vanwege haar zoveelste blaasontsteking, die oude mensen zo vreselijk in de war maakt.

Aldus geschiedde. Onder hevig non-verbaal protest van onze moeder, hoorden we de volgende dag van de arts, die veel moeite had met de situatie. Hier was sprake van ondraaglijk lijden, onze moeder wilde niet meer. “Dat zullen we haar dan eens vragen”, zei ik overmoedig. En ik vroeg het, na een lange aanloop. Ze weigerde een antwoord te geven. De arts vroeg het ook, stevig articulerend: “Als we het infuus weghalen, mevrouw An-ker, hoort u mij (zeker wel), dan gaat u dood. Is dat soms wat u wil?” Geen antwoord, verdomme. Het infuus toch maar weggehaald. 's Ochtends had ze tenslotte tegen mijn zuster gezegd, nu ja, gefluisterd, net verstaanbaar: “Ze benne niet wois”, ongetwijfeld doelend op het slangetje dat in haar pols kroop.

De volgende dag dronk ze twee bekers vocht. Godzijdank! Nu moest ze het dan maar helemaal zelf bepalen. Een last viel van me af. En ineens begreep ik ook hoe dom mijn vraag was geweest. Niemand wil dood! En dat ondraaglijke lijden, dokter, wat bedoelt u daarmee? Toch niet lichamelijk, wel? Want dat is tegenwoordig nauwelijks meer nodig. Nee, ze bedoelde geestelijk.

Ja maar, mopperde het op weg naar huis in mij verder, die gruwel van het leven, alsdat we er eens afscheid van moeten nemen, van het enige wat we hebben, die verschrikking, die hoort er toch bij? Daar moeten de meesten van ons een keer doorheen, nietwaar. Dat bedoelen we toch niet met 'ondraaglijk en uitzichtloos lijden'?

Soms viel het trouwens wel mee. Toen ik een keer mijn jas op haar bed legde dacht ze dat het de kat was en moest ze lachen om haar vergissing. Een paar dagen voor haar dood bekeken we nog wat oude foto's en ze glimlachte en zei een paar keer “Leuk, hè?” Zeker, ze zei ook een keer: “Ze moesten me maar een klap op m'n kop geven”, met een soort van half lachje, alsof ze zich ervan bewust was dat ze dat vroeger zelf altijd zei over ouwe stakkers. Maar dat is nog geen verzoek om de definitieve injectie.

Het blijft knagen dat we haar die drie weken verpleeghuis niet hebben kunnen (willen?) besparen. Juist dan hoor je natuurlijk de verhalen van mensen die hun vader of moeder, soms wel een jaar lang, zelf verzorgd hebben.

Maar in het algemeen denk ik het standpunt van de meeste mensen te verwoorden als ik zeg dat wij vinden dat wij dat tegenwoordig niet meer kunnen. Ik geloof echter niet dat we erg trots moeten zijn op een tijd die zulke mensen voortbrengt.

Rouw? Om een zin van P.C. Hooft in een brief aan Tesselschade om te draaien: “Ik zoek de rouw maar zij weet mij niet te vinden.” Opluchting ook niet. Het is wat het is, veel meer kan ik er niet over zeggen. Soms denk ik dat ik al dertig jaar bezig ben geweest afscheid te nemen van mijn moeder, maar ik begrijp dat ik dat zou moeten uitleggen. Wel raak ik steeds weer hevig geëmotioneerd door een foto die opdook uit de beroemde schoenendoos.

Het is een op bruin karton geplakt groepsportret van kinderen in wit-zwarte pakjes, de meisjes met strik - vermoedelijk de gymnastiekvereniging 'De Spartaan'. Hoe komt het toch dat de jongens op zulke foto's van toen er zonderuitzondering uitzien als aanstaande criminelen en de meisjes als aanstaande dienstbodes?

Maar mijn moeder niet, natuurlijk niet. Daar staat ze, naast Pie Meurs, die de laatste jaren haar buurvrouw was, met haar lieve, ronde gezicht, een aanzet tot een glimlachje om haar mond, heur haren opwaaiend in de zonnige wind. Ik schat dat ze een jaar of veertien is. Ze kijkt ons aan over de velden van de tijd, haar leven is net ontwaakt en ligt nog helemaal voor haar, en nu is ze alweer dood. Het is verbijsterend.