Spot, gêne en dosis humor

Goodness gracious me, BBC2, 23.00-23.30u. Na de zomer begint er een nieuwe serie afleveringen.

“Nog even een laatste test”, zegt de dokter vriendelijk, en dient zijn patiënte een vuistslag toe. BAF, die zit! Is het leuk om te zien dat een Indiase vrouw een mep krijgt van een Indiase man? Toch wel, want zij heeft net van de dokter een pil gekregen tegen de ziekte LIC: 'Lack of Indian Culture'.

De arts moet slechts checken of de pil tegen LIC wel werkt en wanneer de vrouw na de klap gewoon blijft doorgiechelen, verklaart de dokter de kuur voor geslaagd. Er is één bijwerking, de vrouw zal niet meer gewoon Engels, maar alleen met zwaar Indiaas accent kunnen spreken. Wenend werpt zij zich voor de voeten van de arts, maar ook die heeft inmiddels een metamorfose ondergaan. Hij schudt de huilende vrouw van zich af en bijt haar, terwijl hij zich opmaakt om weg te gaan toe: “Ga het kantoor schoonmaken, ik ga uit.”

Je ziet niet vaak dat leden van minderheidsgroeperingen zichzelf op de hak nemen. Zeker niet op de vaak harde wijze zoals dat gebeurt in het satirische programma Goodness Gracious Me waarin Brits-Indiërs de spot drijven met zowel hindoes als moslims. Dat levert bij vlagen hilarische scènes op. De openingssketch bijvoorbeeld. Moslimouders bewenen het lot dat hun heeft getroffen: hun zoon is joods geworden. Het is een scène met een hoog Monty Python gehalte. (Vader: “Terwijl iedereen naar Mekka rent, gaat mijn zoon tegen de stroom in de andere kant uit. Wat heb ik een zoon of een forel?” Zoon: “Het is zalm vader, niet forel.” Moeder: “Val je vader niet aan op zijn gebrekkige kennis over vissen.”) Een duidelijke Monty-Pythonverwijzing ook was de sketch over het huwelijksbureau waarin geen enkele huwelijkskandidaat aanwezig bleek. (“You don't even have a Punjabi accountant?”) Behalve op het laatst, dan komt een man zijn bruid terugbrengen: “I want to register a complaint. This bride is dead, Sir.”

De reacties in Engeland op Goodness Gracious Me variëren van gêne en afkeuring tot glimlachende instemming. Dat roept het enige satirische programma in herinnering dat ons land ooit heeft gekend, het tv-programma Zo-is-het-toevallig-ook-nog-eens-een-keer. Eind jaren zestig zorgde dit programma regelmatig voor commotie. Onder meer nadat televisie-kijken werd vergeleken met religie. Na het gebed 'Geef ons heden ons dagelijks beeld' stak een nationale storm van woede op.

De gekwetstheid van bigotte confessionelen droeg erg bij aan de populariteit van Zo-is-het onder iedereen die voor 'progressief' wilde doorgaan. Nu zou de vergelijking kerkgang/tv-kijken hooguit een matte geeuw ontlokken. Grappig zouden we het allang niet meer vinden en de toenmalige reactie van het beledigde deel der natie is nu al helemaal onbegrijpelijk.

Goede satire bestaat voor een belangrijk deel uit zelfspot, en in de bespotting van gelovigen bespotte links Nederland een kenmerkend aspect van de eigen geschiedenis. Veel Nederlandse 'progressieven' probeerden ten tijde van Zo-is-het onder het geestelijke juk uit te komen van de paters en dominees die hun jeugd hadden vergald. Tegenwoordig getuigt het niet meer van goede smaak om christenen of christendom aan te vallen of belachelijk te maken.

Het op stang jagen van gelovigen is een soort zacht taboe geworden. Maar pas echt taboe is het maken van grapjes over die kanten van allochtone culturen waarbij wij zo onze bedenkingen hebben, zoals de soms nadrukkelijk ongelijke behandeling der seksen. Het politiek correctionisme lijkt hier echter te diep te zitten om een Nederlandse variant op Goodness Gracious Me te realiseren. 'Progressieve autochtonen' vertonen soms een blind en aan verafgoding grenzend ontzag voor 'vreemde culturen'. Vooral zij zouden zijn gediend bij een flinke dosis humor.