Nagano

Ze zijn zo trouw als schoothondjes. Elke morgen staan ze er weer, de kamermeisjes van het mediadorp, in hun rode truitjes, gele schortjes en witte hoofddoekjes. Eerst kloppen ze zachtjes op de deur. Wanneer ze niets horen, stormen ze vrolijk kwetterend en gewapend met bezems, poetsdoekjes en kruimelvegers het appartement binnen.

Ze blijven lachen en buigen, alsof het werk op de tien verdiepingen hoge flat hen blijft bevallen. In het begin zeiden ze nog: Good morning. Maar nu zeggen ze: o-hayo gozai masu. Ze denken dat ik intussen Japans hebben geleerd. Mogelijk omdat ik wel eens boos over een veel te vroege inval iets in het Japans heb gezegd. Zoals: ku nai desu (het is niet vuil) en watashi wa tshuhare mashita (ik ben moe) of watashi wa okotte imasu (ik ben boos). Eén chagrijnige blik en pijlsnel waren ze weer weg. Maar ze zijn plichtsgetrouw en blijven komen. We zijn dikke vrienden geworden. Ik heb gezegd: watashi wa kisha desu (ik ben journalist); en een van hen heeft gezegd: watashi wa ureshi (ik ben gelukkig). Vanmorgen heb ik mijn verlegenheid verdrongen en tegen haar gezegd: watashi wa Guus desu (mijn naam is Guus). Ze lachte en boog dankbaar voor deze ontboezeming. Ik hoopte dat zij ook haar naam zou zeggen. Maar ze zei niets, ze lachte alleen en kwetterde wat tegen de andere meisjes. Ik zei: shashin? (foto?). Ze sloeg giechelend een hand voor haar mond en kwetterde weer tegen de andere meisjes, die verlegen hun hoofd afwendden. Ik riep mijn collega om een foto te maken van mijn kamermeisje. En zo poseerden we samen. Ze lachte en zei: domo arigato (dank u). En toen pakte ze pen en papier en schreef: Takahashi Toyoko. Zo heet ze dus. Vervolgens schreef ze haar adres, dat natuurlijk niemand mag weten. Ze lachte verlegen en zei: sumi masen (sorry). Ik verheug me op morgenvroeg. Hopelijk gaat het feest verder in Nagano.