Men diene professoren te weren

De Gids. 161ste jaargang, nr. 2. Februari 1998. Uitg. Meulenhoff, f16,90 Literatuur. Tijdschrift over Nederlandse Letterkunde. Jaargang 15, jan/febr. Uitg. Amsterdam University press, f14,-

“Als er vijftig manieren zijn om je geliefde te verlaten, zijn er ook vijftig om een boek te lezen,” schrijft Willem Otterspeer in de februari-aflevering van De Gids. Van die vijftig demonstreert hij er drie, toegepast op de dissertatie van Remieg Aerts over de geschiedenis van De Gids in de negentiende eeuw. Otterspeer heeft het boek gelezen als iemand die een vergelijkbaar boek geschreven heeft, als iemand die in de negentiende eeuw geïnteresseerd is en als iemand die De Gids leest. De uitkomst is alle drie de keren dat hij De Letterheren een boeiend boek vindt. Geestig is vooral het slot van zijn recensie waarin hij naar aanleiding van het boek van Aerts een aantal criteria opsomt die volgens hem van toepassing zijn op een goed tijdschrift. “Hoe kleiner de redactie hoe beter”, schrijft hij en: “men diene professoren zoveel mogelijk te weren.” Aangezien Otterspeer zelf professor is, kan zijn advies niet als sollicitatiebrief aan de Gids-redactie beschouwd worden, maar dat wil nog niet zeggen dat hij gelijk heeft.

Neem het blad Literatuur waarvan de redactie voor het merendeel uit professoren bestaat (onder wie Ton Anbeek, Frits van Oostrom en Herman Pleij), maar dat niettemin een levendig tijdschrift is, dat in geen enkel opzicht onderdoet voor De Gids. Het eerste nummer van dit jaar opent met een artikel van neerlandica M. Kroesbergen over 'Erotiek en intellect'. Aan de hand van de correspondentie tussen Ter Braak en Du Perron analyseert ze de invloed die Les Liaisons dangereuses, de briefroman van Choderlos de Laclos uit 1782, gehad heeft op Ter Braaks Politicus zonder partij.

Liefhebbers van de mannen van Forum kunnen trouwens ook terecht bij De Gids, want dat opent met een mooi en, zoals dat volgens de tradities van Forum hoort, persoonlijk essay van Marc Reugenbrink over E. du Perron. Met veel inlevingsvermogen behandelt hij wat hij 'Du Perrons politieke incorrectheden' noemt. Hij doelt dan op het in Du Perrons werk gesignaleerde racisme en bekent dat diens incorrectheid hem soms een gevoel van opluchting geeft, “wantrouwig als ik geworden ben jegens personen die in deze tijd hun politieke correctheid zo ver doorvoeren dat ze bereid lijken te zijn hun eigen identiteit, cultuur en geschiedenis te verloochenen ter meerdere glorie van De Mensheid in zijn totaliteit.”

Ook in De Gids verbaast Emanuel Overbeeke (in een essay over de rol van muziek in het werk van Margriet de Moor) zich erover “dat sommige critici nog steeds schromen om te wroeten in biografische verklaringen (-) terwijl de biografie de laatste jaren aanmerkelijk in status is gestegen.” Hetzelfde thema keert terug in het artikel van neerlandicus Peter Buwalda over Karel en Gerard van het Reve. Volgens hem heeft nog nooit een letterkundige zich gewaagd aan een vergelijking van de oeuvres van beide broers en dat zou komen “door de nasleep van een inmiddels opgeheven letterkundig taboe: het taboe op het leven van de schrijver.” Peter Buwalda trekt zich niets aan van welk taboe dan ook en dat levert een schitterende bijdrage aan de Reve-Forschung op.

In Literatuur wijdt Ton Anbeek een beschouwing aan het succes van Anna Enquists roman Het geheim waarvan ondanks de negatieve kritieken meer dan honderdduizend exemplaren verkocht zijn. Wie een verklaring zoekt, moet zich volgens hem verdiepen in de literaire voorkeur van vrouwen van rond de vijftig met een goede opleiding. “Daarover kan men aardige dingen vinden in het oktobernummer van Opzij, het blad dat bij uitstek gelezen wordt door Dolle Mina's op leeftijd.” Behalve een coverstory onder de kop “Hoe vrouwen het leed van zich afschrijven” trof hij in Opzij een 24 bladzijden tellende 'bijlage' van Meulenhoff aan waarin de najaarsaanbieding van deze uitgeverij “op de meest vrouwvriendelijke manier werd aangeprezen”. Maar wat Anbeek - volkomen terecht - meer stoorde was dat deze advertentie werd gepresenteerd als een verzameling recensies. “Het geraffineerde van deze 'bijlage' is dat een wat minder oplettende lezer(es) niet meteen zal doorhebben dat het om een pagina's lange advertentie gaat.” Ik heb dat precies zo ervaren en me even hard geërgerd aan deze schijnvertoning die neerkomt op misleiding en misbruik van de literaire kritiek. Goed dat Literatuur daar de vinger op legt.