Judas

De wereldgeschiedenis wemelt van de lafaards, saboteurs en verraders, maar slechts enkelen van hen spraken zo tot de verbeelding dat zij tot een archetype konden uitgroeien. In de Tweede Wereldoorlog wist de Noorse politicus V.L.A. Quisling (1887-1945) deze bedenkelijke status te bereiken door zijn land op een dienblaadje aan de Duitsers uit te leveren.

Quisling was minister van Defensie geweest, maar in 1940 voorzag hij de nazi's zelfs van landkaarten voor de invasie. Zelf bezette hij het radiostation in Oslo. Zijn verraad was zo 'voorbeeldig', zo tot in de puntjes georganiseerd, dat zijn naam al een maand na de invasie in het Engels werd gebruikt voor 'verrader, collaborateur'. Van Dale omschrijft quisling tegenwoordig als “iemand in een leidende politieke functie die in oorlogstijd met de vijand (met de bezetter) heult, hem zijn land uitlevert; collaborateur”.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog gold Paul Bolo even als het prototype van de verrader. Deze Franse avonturier koos de kant van de Duitsers en werd in 1918 wegens landverraad doodgeschoten. Lang hebben bolo voor 'verrader' en bolisme voor 'propaganda maken voor de vijand' echter niet standgehouden.

Vóór Quisling en Bolo zijn Lucifer, Absalom en Athalia als archetypische verraders aangewezen, maar eigenlijk geldt voor al deze figuren dat zij niet in de schaduw kunnen staan van de keizer van het verraad, Judas Iskariot. Jezus op een geniepige manier aan zijn vijanden uitleveren, dat was pas het echte werk. Tweeduizend jaar christendom heeft Judas op een onbetwistbare eerste plaats onder de verraders gezet. Vandaar ook dat zijn naam in de loop der eeuwen internationaal aan allerlei andere woorden is gekoppeld. Er bestaat zelfs een woordenboek waarin alle judaswoorden en -uitdrukkingen uit de Germaanse talen bij elkaar zijn gezet. Het heet A dictionary of words and idioms associated with Judas Iscariot en werd in 1942 samengesteld door de Amerikaan Wayland D. Hand.

In Nederlandse woordenboeken zijn zeker dertig samenstellingen en afleidingen te vinden die op Judas teruggaan. De oudste dateren uit de Middeleeuwen. Vervolgens leverden de zeventiende en achttiende eeuw veel op. De woorden zijn rond een beperkt aantal thema's te groeperen. Zo zijn er enkele die verband houden met het uiterlijk van Judas. Nu weten we heel weinig over Judas, en al helemaal niet hoe hij er uit heeft gezien, maar de traditie wil dat hij rood haar had. Roodharigen hadden immers de naam driftig, slecht en onbetrouwbaar te zijn. Vandaar judashaar 'rood, rosachtig haar', judasbaard 'rode baard' en judaskleur 'rood'. Judastronie - een woord dat onder andere is aangetroffen bij Wolff en Deken - staat voor 'onbetrouwbare kop'.

Judas beheerde de gemeenschappelijke kas van de discipelen en volgens Johannes zou hij daaruit hebben gestolen. Vervolgens verried hij Jezus voor dertig zilverlingen - de prijs van een slaaf. Vanzelfsprekend zijn er dus woorden die verband houden met geld, zoals judasstrop 'geld, geldzucht, geldgierigheid', judasgeld 'verradersloon', en judaspenning. Dat laatste is de volksnaam voor een kruisbloemige sierplant (Lunaria annua) waarvan de zilverwitte zaadhuisjes aan geldstukken doen denken. Anderen zeggen dat als je de zaadhuisjes tegen het licht houdt, je zaden te zien krijgt die op Hebreeuwse letters lijken. Om vergelijkbare redenen zijn er planten die judasbeurs of judasgeld worden genoemd.

De bijbel zegt dat Judas uit wroeging zelfmoord pleegde. “Daarop ging hij heen en verhing zich” (Matth. 27:5). Hoe en waar staat er niet bij, maar volgens een overlevering slingerde hij zijn strop om de takken van de Zuid-Europese sierboom Cercis siliquastrum. Die luistert daarom naar de bijnaam judasboom. Concurrenten zijn 'de vervloekte dorre vijgeboom' en de vlierboom. Op oude vlierstammen groeit een bepaalde vlieszwam (Hirneola auricula Judea) waarvan de vorm lijkt op die van een menselijk oor. Het volk combineerde een en ander en doopte deze zwam judasoor.

Logischerwijs houden de meeste judaswoorden verband met de valsheid, achterbaksheid en geniepigheid van het verraad. Judas werd een naam met louter negatieve betekenissen. Je zou je kind nog eerder Adolf noemen dan Judas, want volgens onze woordenboeken wordt judas onder meer gebruikt voor 'deugniet, dief, ellendeling, geldzuchtige, helper van een valsspeler, huichelaar, klikspaan, pestkop, plaaggeest, snode verrader, treiteraar' en 'valsaard'.

En dan zijn we er nog niet, want een judasboodschap is een 'valse, misleidende boodschap', judasdiscipelen zijn 'ontrouwe armenverzorgers', een judasgroet is een 'valse groet', en een judasje is een 'kijkgaatje om iemand heimelijk te beloeren'. Dit woord is afgeleid van het Franse judas, dat dezelfde betekenis heeft. In het Engels wordt zo'n kijkgaatje een judas-hole genoemd. Wij spreken ook wel van een judasoog. Hiermee werd tevens het luikje van een cel aangeduid.

Je zou haast met die arme Judas Iskariot te doen krijgen, want judaskneep staat nog voor 'onverwachte, verraderlijke pijn' (bijvoorbeeld jicht, kiespijn of aangezichtspijn), judaslach voor een 'geniepige, gehuichelde lach', judaslust voor 'boze begeerte' en judasrol voor 'verradersrol'. Het bekendst is de judaskus, 'valse, verraderlijke kus' - naar Lucas 22:48, waarin wordt verhaald hoe Judas Jezus kuste om hem voor zijn arrestatie te identificeren. Daarnaast komen ook judasstreek 'bedrieglijke, verraderlijke streek' en judasloon 'verradersloon' veel voor.

Een heel mooie, die we in ere zouden moeten herstellen, is judaswinter. Dat is een winter die eerst zacht, maar later streng is. Dat heeft, vooral voor de boeren, iets verraderlijks.

Besluiten wij met de judasbelofte ooit nog eens aandacht te zullen schenken aan de uitdrukking van de prins geen kwaad weten.