De koopkrachtcrisis

IN EEN CRISISACHTIGE sfeer heeft het kabinet dit weekeinde overeenstemming bereikt over de koopkrachtreparatie voor 1998. Het was een crisis die het kabinet, en meer in het bijzonder minister van Sociale Zaken Melkert, over zichzelf heeft afgeroepen. Vorig jaar deed paars de belofte: 'Verkiezingstijd? Iedereen in koopkracht vooruit.' Bij de eerste afrekening van de uitkeringsdiensten en salarisadministraties bleek het toch een slagje anders te liggen. Als gevolg van ondoorgrondelijke verschuivingen in de tarieven en schijven gingen sommige groepen er in januari op achteruit.

Gedwongen door de voltallige Kamer zette minister Melkert zich aan de uitwerking van varianten. Het opzetje voor een verkiezingscheque, 250 gulden uit te geven in april, verdween onder hoongelach van de betrokken kabinetsleden van tafel nog voordat het in de publiciteit kwam. Nadat ook het uitgelekte plan voor 'honderd piek van Ad' was afgewezen, kwam de zaak neer op een technische reparatie van de koopkracht voor die groeperingen die gedupeerd waren door de bijstellingen van de sociale premies. Daar valt weinig verkiezingseer mee te behalen.

ZO KREEG DIT kabinet toch nog een stevige ruzie over de koopkracht met Melkert en Zalm als tegenpolen. Uiteindelijk heeft Zalm aan het langste eind getrokken. De afspraak van koopkrachtbehoud werd gestand gedaan en daarvoor wordt 850 miljoen gulden vrijgemaakt. Maar het mag niet ontaarden in een ordinaire verkiezingsstunt door met geld te gaan strooien.

Met enige ironie zou het de 'paarse paradox' kunnen worden genoemd. De poldereconomie draait op volle toeren, de belastinginkomsten stromen over de rand van de schatkist, de werknemers zijn niet aan te slepen om de vacatures te vervullen, het inkomen uit arbeid neemt toe. Symbolisch voor de stand van zaken is dat de raad van bestuur van Philips zichzelf 310.000 opties ter waarde van een slordige twintig miljoen gulden kan toebedelen, en tegelijkertijd groepen bejaarden en uitkeringstrekkers op een inkomensachteruitgang van tientallen guldens per maand staan. Dat dit beeld rechtgetrokken wordt valt te billijken, maar dat koopkrachtgaranties tot achter de komma en voor ieder individueel geval onmogelijk kunnen worden gegeven, is ook helder. De oorzaak mag dan een verschil tussen de 'beleefde en de berekende feiten' zijn, de politiek kan zich beter niet nog eens zo stellig over de generieke effecten van het inkomensbeleid uitspreken.

De afgesproken koopkrachtreparatie druist bovendien in tegen door dit kabinet nagestreefd beleid. Want over de hele linie gaat de belastingdruk voor bejaarden iets naar beneden en alle uitkeringen gaan netto iets omhoog. Hiermee doen zich twee problemen voor. Ten eerste wordt de fiscale begunstiging van de groeiende groep bejaarden vergroot. Daarover wordt in het pensioendebat geleidelijk anders gedacht. Ten tweede wordt de armoedeval weer een eindje verder open gezet door het verschil met inkomen uit arbeid te verkleinen. Melkert-de-koopkrachtreparateur van uitkeringen komt zichzelf straks weer tegen met lage salarissen voor zijn Melkert-baners.

NOOD BREEKT WET, heet het in de aanloop naar de verkiezingen. In dit geval heeft het kabinet de nood aan zichzelf te wijten.