Vrij schieten op Nieuw Babylon

Sociologische Gids. Tijdschrift voor sociologie en sociaal onderzoek, 97-5/6 (jaargang XLIV, september/december). Themanummer Bouwen aan Babylon: De jaren zestig in discussie. Tweemaandelijks tijdschrift. Abonnementen ƒ 105,-, losse nummers ƒ 25,-. Inlichtingen: uitgeverij Boom 0522-257012.

TOEN HET BOEK in 1995 verscheen, was het een verademing: James Kennedy's Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig. De Amerikaanse historicus (geboren in 1963) bood een elegante oplossing voor een belangrijk probleem in de moderne geschiedschrijving: wat is er

nu eigenlijk gebeurd in de jaren zestig? Nog altijd roept muziek van bijvoorbeeld Cat Stevens, The Doors, Boudewijn de Groot of Crosby, Stills, Nash & Young bij velen een zoet gevoel van vrij- en blijheid op.

Maar wat was er werkelijk aan de hand?

Kennedy's antwoord was duidelijk ànders. In Nederland vonden toen

inderdaad grote culturele veranderingen plaats, maar de motor van de veranderingen lag niet in de jeugdcultuur of in vrijmakende muziek. De belangrijkste oorzaak lag in de moderniseringspolitiek van de toen zo versmade verzuilde elite. Opstandige studenten, boze werknemers en ontevreden katholieken vonden een verrassend gewillig oor bij de gezagsdragers, zo beschrijft hij in zijn boek. De belangrijkste vernieuwende wetgeving kwam niet voor niets tot stand onder het rechts-confessionele kabinet-De Jong (1967-1971).

Niks revolutie, niks generatiekloof en niks heldenverhalen. Nederland veranderde doordat de 'regenten' het gevoel hadden dat er iets moest veranderen, niet doordat anderhalve man en een paardenkop het Maagdenhuis bezetten. In de paradoxale visie van Kennedy passen de Swinging Sixties prima in het succesvolle patroon van 'schikken en plooien' dat het Nederlandse polderlandschap al sinds de late middeleeuwen doorwasemt.

Het poldermodel moge sinds 1995 alleen maar populairder zijn geworden, op Kennedy's Nieuw Babylon (het beeld is ontleend aan de schilder Constant Nieuwenhuis) is genoeg kritiek mogelijk. In zijn recentste nummer heeft de Sociologische Gids het debat grondig aangepakt. Want de jaren zestig zijn evengoed een sociologisch als een historisch onderwerp. Kennedy is gevraagd zijn ideeën nog eens op een rijtje te zetten, waarna een tiental Nederlandse sociologen in alfabetische volgorde aan het woord komt. Onder de critici schaart zich ook de Utrechtse cultuurhistoricus Hans Righart, wiens De eindeloze jaren zestig. Geschiedenis van een generatieconflict eveneens in 1995 verscheen. Righart verklaart de onlusten uit die tijd uit de strijd tussen de naoorlogse 'welvaartsgeneratie' en de ouderen met wortels in de vooroorlogse tradities. Deze meer traditionele historische analyse kan onder de sociologen op meer steun rekenen dan Kennedy's ideeën.

Andries van den Broek, socioloog bij het Sociaal Cultureel Planbureau, merkt bijvoorbeeld op dat de toegeeflijke reactie van de 'regenten' helemaal niet hoeft te betekenen dat de verzuilde elites in de ban waren

van de moderniteit. Cruciaal is dat ze meer reageerden op de maatschappelijke ontwikkelingen dan dat ze deze zelf initieerden - een onderscheid dat bij Kennedy nogal onduidelijk is. Het traditionele regentengedrag was reageren, niet ageren.

En als die Nederlandse elites al zo modern waren, waarom vonden al die veranderingen dan niet al in de jaren veertig en vijftig plaats, vraagt oud-hoogleraar J.E. Ellemers zich af. Tenslotte bestond er ook in die tijd een breed geuite afkeer van de 'schotjesgeest', zoals de verzuiling

toen werd genoemd. Ellemers' antwoord is simpel: de zwijgende meerderheid van leidende figuren in Nederland wilde helemaal geen verandering van de bestaande machtsstructuren. Pas onder druk van buiten

waren zij bereid uit welbegrepen eigenbelang mee te gaan met allerlei vernieuwingen.

De volgens Elemmers overigens 'zeer milde culturele revolutie' van de jaren zestig werd eerder veroorzaakt doordat na de oorlog de maatschappelijke achterstand van katholieken en orthodox-protestanten wegebde. Sociale achterstand kon daarom niet langer gezien worden in 'verzuilde termen'. Opleidingsniveau en inkomensongelijkheid gingen een grotere rol spelen. Deze 'mentale ontzuiling' raakte in de jaren zestig in een stroomversnelling, ook al door 'incidenten' als 'Zo is het toevallig ook nog eens een keer' (1964) en provo (1965/66). Door de uitbreiding van het onderwijs en de economische groei verschenen in groten getale nieuwe elites op het maatschappelijke toneel, en zeker aanvankelijk voelden die zich tegengewerkt door het 'onwrikbare' establishment.

De sociologen laten maar weinig heel van Kennedy's ideeën. Hij heeft de internationale invloed over het hoofd gezien, schrijft de 'generatiesocioloog' H.A. Becker: “De opstand in ons land was grotendeels namaak.” Van de veranderingen in de katholieke kerk heeft Kennedy weinig begrepen, schrijft de emeritus hoogleraar L. Laeyendecker. Kennedy heeft de pull-factoren van de popmuziek verwaarloosd, schrijven H. Kleijer en G. Tillekens: “Rond de populaire muziek manifesteerde zich de dating-cultuur van de meer aangepaste jeugd

uit de middenklasse, die vervolgens tot een complete tegencultuur ontwikkelde'': dàt veroorzaakte de plotselinge radicalisering van

de jeugdcultuur.

“De sociologie heeft hoofdvragen, de geschiedwetenschap niet”, vindt de Nijmeegse socioloog Wout Ultee. En lezing van Kennedy (en Righart) heeft hem alleen maar gesterkt in die mening: onduidelijke onderzoeksmethoden, vage definities, raar geschuif met periodiseringen. Kennedy blijft hangen “in het cliché van de Nederlandse tolerantie”. Volgens Ultee lieten de regenten juist veel dingen toe, omdat ze ervan uitgingen dat het dan juist minder zou gebeuren, zoals bij abortus.

Net als vrijwel alle andere sociologen in dit themanummer verwerpt Ultee

Kennedy's nogal postmoderne uitgangspunt dat het van moderniteit vergeven discours van de Nederlandse elite in belangrijke mate de gang van zaken bepaalde: “Worden de draden die de leden van een samenleving verbinden gesponnen uit de woorden van gezagsdragers?” Ultee stelt een heel ander veranderingsmechanisme voor. De naoorlogse generatie had volgens hem twee belangrijke wensen: zelfstandig wonen en flink wat popmuziek op de radio. Omroep noch volkshuisvestingsbeleid werd toen door de vrije markt bepaald. Het protest richtte zich dus op de overheid. Vooral over de woningnood bestond al decennia veel onbehagen in Nederland. Waarom ontlaadde zich deze onvrede met het gezag zich juist in de jaren zestig? Omdat pas op een hoog technologisch peil ideologieën de kans krijgen om te worden verwezenlijkt. Pas met de vondst van aardgas in Slochteren was er geld genoeg. Toen pas konden de regenten meebuigen met de wensen van het volk.

Kennedy's antwoord op zijn critici aan het slot van het themanummer is verrassend. Het debat wordt op een verkeerd niveau gevoerd. De sociologen (en ook Righart) zitten nog veel te veel gevangen in hun fixatie op de vraag hoe en waarom Nederland na de oorlog moderniseerde. Kennedy daarentegen gaat het juist om de mythe van die modernisering. Zijn boek is meer dan het zoveelste verhaal over de plooibare Nederlandse elite, schrijft hij. Het gaat om de wijze waarop de naoorlogse elite 'vernieuwing' en 'modernisering' tot kader verhief van haar denken en wereldbeeld. Het gaat niet om reageren of ageren op sociale veranderingen, het gaat om het effect: “De acceptatie van een fait accompli heeft een heel ander cultureel effect dan de niet-acceptatie.”