Vogelopvangcentrum

Hij kwam in de regen, als een witte, doorweekte kip, met gele poten, gele ogen, en een gele snavel. Niemand wist waar hij vandaan kwam, maar hij leek van plan te blijven. Van zonsopgang tot zonsondergang scharrelde hij rond in mijn tuin en die van mijn buren. Het had wel wat, een kip in de tuin.

's Ochtends gooide ik een handje voer op het gras. Al snel kwam ie,

zodra ik de luxaflex optrok, naar de keukendeur toe hollen. Wat ontbrak aan het dieet van zaden, zocht ie zelf bijelkaar: wormen, pissebedden, slakken - aan klein kruipend gedierte geen gebrek in onze vochtige tuinen, achter de Vrolikstraat in Amsterdam-Oost.

De kip was al vrij groot toen-ie kwam, maar maakte een wat verfomfaaide en schichtige indruk. In onze tuinen werd hij niet alleen nog groter maar nam ook zijn zelfvertrouwen toe. Hij liep niet meer, hij schreed, majestueus, de borst vooruit. Als er een houtduif in de tuin neerdaalde,

om zijn graantje mee te pikken, holde onze kip er met klapperende vleugels op af. De poezen liepen met een wijde boog om hem heen.

Hij groeide, zijn poten werden steviger, hij ontwikkelde een rode kam en

rode lellen. Hij was toch zonder kam en lellen gekomen? Op de dag dat onze kip begon te kraaien, was duidelijk dat wij ons niet vergisten. Onze kip was een haan geworden.

In het begin klonk hij schor en onzeker. Alsof hij nog niet goed wist wat hij wilde. Alsof hij zocht naar zijn stem, zocht naar klanken om zich uit te drukken. Geleidelijk aan begon het kraaien steeds meer als kukeleku te klinken.

Op een ochtend, toen ik de luxaflex opentrok, was hij er niet. Vreemd. De hele dag zag ik hem niet en ook de volgende dagen kwam hij niet meer opdagen. Hij was weg. Even plotseling als-ie gekomen was.

Ook de buren hadden hem altijd enthousiast onthaald, gevoerd, water voor

hem neergezet. Het kwam als een verrassing te horen dat zij zijn verdwijning geregisseerd hadden. Vanwege dat kraaien, zeiden ze. Vanwege

jullie plantjes, dacht ik. De haan woelde de grond om. In mijn tuin kon dat geen kwaad maar in de hunne... Ik voelde met ze mee. Het stoorde me alleen dat ze het mij niet hadden laten weten.

Tanja, uit Bosnië, miste hem ook. Anders dan ik was zij kippen om het huis gewend. In Bosnië had haar buurman kippen gehouden. Als hij in zijn handen klapte, kwamen de kippen naar hem toe hollen. Soms zag ze de buurman met een kip in zijn handen langs lopen. “Die ging hij

dan opeten.''

Ik vertelde Tanja dat de buren de dierenambulance hadden gebeld, en dat de dierenambulance de haan naar een vogelopvangcentrum had gebracht. Dierenambulace, vogelopvangcentrum, dat vond Tanja vermakelijk. “Dat alles voor een kip” vroeg ze ongelovig. “Ze hadden beter mijn vader kunnen bellen.”

Ik dacht: Koos van Zomeren had gelijk, met zijn recht op zichtbaarheid voor het varken. Voor de kip-in-onze-tuin, de zichtbare kip, bestellen wij een dierenambulance. Wij beschouwen hem als een vogel. De kip die wij niet zien, die wij opeten, beschouwen wij... Beschouwen wij die überhaupt?

Een week later bezochten Tanja en ik het vogelopvangcentrum. De buren hadden nog gezegd: “In onze tuinen is hij alleen, in het vogelopvangcentrum heeft hij gezelschap.” Misschien was dat waar.

Het vogelopvangcentrum was gesloten. Maar na enig gerammel aan het hek, liet de beheerder zich zien, vergezeld door een Isak Dinesen-wolfshond. De haan die ik beschreef, was hier.

“En heeft-ie het een beetje naar zijn zin?” informeerde ik. Die vraag viel verkeerd bij de beheerder. “Was die haan van u?”

Ik legde hem de situatie uit. Daarop begon de beheerder een tirade. En wat of dat hij nou met die haan moest? Die haan nam een heel hok in beslag, andere vogels konden daar niet bij. Echt koud was het niet geweest, maar als er toch nog vorst kwam, waar moest hij dan heen met de

meerkoeten, de aalscholvers, de eenden, die de mensen zouden brengen... Hij zei ook nog iets over mensen die maar lukraak dieren nemen, en als die dieren slecht bevallen, ze gewoon maar ergens dumpen: “Het hele Amstelpark loopt vol kippen en geiten.” Ik dacht: daar moet ik eens gaan kijken.

Niet ver van het vogelopvangcentrum is een kinderboerderij. Tanja en ik waren er al langs gelopen, in de veronderstelling dat de haan daar zou zijn. Er liepen heel wat kippen en hanen rond. “Kan ie daar niet naartoe” vroeg ik de beheerder. “Daar zitten ze ook niet op te wachten”, zei hij. “'t Is trouwens een gewone slachthaan hoor, over een jaar zakt ie door z'n poten.” Op de kinderboerderij liepen echte hanen, begreep ik. Barnevelders en zo.

“Kennen jullie niet iemand die buiten woont” vroeg de beheerder. Ik beloofde er eens over na te denken, want ik had met de beheerder te doen.

Mocht u toevallig buiten wonen, dan kunt u bij een vogelopvangcentrum in

de Bijlmermeer gratis een haan ophalen. Het centrum heeft een naam, iets

met een woordspeling, de Toevlucht, geloof ik.

Is er niemand die buiten woont, dan ga ik hem over een maand zelf halen.

Met Tanja's vader. Dat lijkt mij de beste oplossing voor dit probleem.