Vale vliegers; TAXONOMIE VAN AFRIKAANSE VRUCHTENETERS GRONDIG HERZIEN

Taxonoom Wim Bergmans herzag de systematiek en verspreiding van Afrikaanse vruchtenetende vleermuizen. Hij deed dertig jaar onderzoek en

voerde maandenlange zoektochten uit door Nigeria, Kenia en Oost-Zaïre. Deze week promoveerde hij.

IN DE KAST staan niet alleen boeken, maar ook glazen potten. “Dit is een mopsvleermuis, een insekteneter uit Benin”, zegt vleermuistaxonoom Wim Bergmans. Voorzichtig vist hij de grijze, glibberige vleermuis uit de alcohol en spreidt liefkozend de smalle, doorschijnende vleugels. Het diertje heeft merkwaardige, met elkaar vergroeide oortjes als een soort zonneklepje over zijn platte, brede kop. “Typische beestjes”, zegt Bergmans. “Dit is een zeer sterk ruikende soort, al valt die geur heel moeilijk te beschrijven. Morfologen houden zich bij voorkeur bij meetbare kenmerken. Kijk, de kaak is enigszins vrij geprepareerd om de kiezen en tanden beter te kunnen bekijken.” De vleermuis grijnst hem aan.

Bijna dertig jaar lang verdiepte Bergmans zich in de Afrikaanse vruchtenetende vleermuizen (Megachiroptera), bewoners van het tropisch regenwoud. 's Nachts bestuiven zij de bloemen en verspreiden de zaden van tal van tropische bomen. Daarmee vormen ze een onmisbare schakel in het ecosysteem, want in het regenwoud met zijn enorme soortenrijkdom staan twee exemplaren van eenzelfde boomsoort vaak ver van elkaar en dat

maakt de bestuiving lastig. Dat blijkt uit het onderzoek waarop Bergmans

afgelopen woensdag promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij herzag de systematiek en de verspreiding van deze groep vleermuizen. Dat

was niet meer gebeurd sinds de publicatie van Knud Andersen's Catalogue of the Chiroptera in the British Museum Part 1 uit 1912. Sindsdien zijn diverse nieuwe soorten ontdekt en andere beter beschreven, de groep telt

nu 36 Afrikaanse soorten. Bergmans gebruikte morfologische en geografische gegevens uit musea in Europa, Noord-Amerika en Afrika. Hij maakte maandenlange veldtochten door Nigeria, Kenia en het onrustige grensgebied van Oost-Zaïre, waar de vleermuistaxonoom midden in een

volksverhuizing van Toetsi-vluchtelingen uit Oeganda belandde. In de stad Goma werd hij door rebellerende troepen tweemaal opgepakt en weer vrijgelaten. “Dit zijn nou eenmaal dure reizen, als je daarin investeert wil je ook onderzoeksresultaten zien”, zegt Bergmans. Hij ontdekte twee nieuwe onderfamilies, twee nieuwe stammen, een geheel nieuwe soort en twee nieuwe ondersoorten. En passant ving hij een bij de

wetenschap nog onbekende vleermuisvlo en beschreef, samen met een Tsjechische collega, twee nieuwe soorten vleermuismijten.

Bergmans: “Sommige Afrikaanse soorten hebben leuke kopvlekken, oranjeachtige vleugels of lichte vlekjes op hun vingers. Maar de meeste zijn tamelijk grauw, het zijn tenslotte nachtdieren. Ze hebben grote ogen en kunnen heel goed zien, maar ze zijn ook sterk ingesteld op het waarnemen van geluiden. Hun oren zijn uiterst gevoelig en voortdurend in

beweging.” Hij pakt zijn proefschrift erbij. “Dit is een vergelijkend overzicht van penisbotjes, waaraan je soorten soms kunt herkennen. Ook de gehemelteplooien en het profiel van de snuit zijn belangrijke kenmerken.” De veelal technische tekeningen maakte hij zelf - Bergmans werkte vóór zijn studie lange tijd als tekenaar in het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden. Daar raakte hij zozeer in de ban van het onderzoek, dat hij zich inschreef bij de avondschool en daarna in Amsterdam biologie ging studeren. Toevallig was de conservator zoogdieren van het Zöologisch Museum, het tegenwoordige

Instituut voor Taxonomische Zoölogie, in die dagen op zoek naar een

assistent. Een van Bergmans' eerste taken was het op orde brengen van een grote collectie vleermuizen uit Ivoorkust. Intussen werkt hij al weer vele jaren voor een organisatie die zich bezighoudt met natuurbescherming, maar 's avonds en in de weekeinden zoekt hij nog altijd de vleermuizen in hun glazen potten op, want echte liefde slijt niet.

VLIEGENDE HONDEN

Vleermuizen kennen twee hoofdgroepen of onderorden. De Microchiroptera zijn wereldwijd verspreid en vangen hun prooi met behulp van sonar. Van huis uit zijn het insekteneters, al zijn er later ook soorten ontstaan die van muizen, kikkers, vissen of bloed houden, vruchten eten of honing

zuigen. Daarnaast onderscheidt men de Megachiroptera, met zo'n 175 tropische en subtropische soorten van de Oude Wereld, die vruchten en pollen, nectar en soms bladeren eten. De meeste vruchteneters zijn forse

dieren, zoals de bekende vliegende honden uit Indonesië. De bewoners van de vleermuisgrot in Blijdorp horen tot het geslacht Roussettus. Onder de vruchteneters zijn de Rouset-vleermuizen de enige die, net als de Microchiroptera, over een - zij het primitief - sonarsysteem beschikken. Daarmee kunnen ze zich in donkere grotten en maanloze tropennachten oriënteren. Zij zenden hoorbare 'klikjes' uit. Als je deze dieren binnenshuis laat rondvliegen en het licht dempt,

hoor je ze 'opstarten' als ze overschakelen op hun sonarsysteem om in het donker de weg te vinden. Dit in tegenstelling tot de Microchiroptera, waaronder de Nederlandse vleermuizen: om hun hoogfrequente sonarsignalen hoorbaar te maken is een speciaal apparaatje, een bat detector, nodig.

Karakteristiek is ook de geur. Bergmans: “Mijn reukvermogen gaat de laatste jaren wat achteruit, maar vroeger kon ik in Afrika drie groepen vleermuizen al ruiken voordat ik ze zag aankomen. Geuren spelen in de zoogdierenwereld een grote rol, maar ze exact beschrijven is zo moeilijk

dat taxonomen er geen gebruik van maken.''

Bergmans postuleert een nieuwe, echte Afrikaanse groep vleermuissoorten,

een African clade om in jargon te blijven. Er horen beesten bij die tot nu toe tot de Zuidoost-Aziatische soortengroepen werden gerekend, omdat hun schedels en gebitten daarmee meer verwantschap leken te vertonen. Bergmans: “Er is sprake van een merkwaardige scheiding tussen soorten van het Afrikaanse vasteland en die van de oostelijke eilanden zoals Madagascar, de Seychellen en de Comoren. Deze horen bij de Aziatische vleermuisfauna en zouden volgens sommige theorieën met passaatwinden uit bijvoorbeeld Pakistan naar de Oost-Afrikaanse kust gewaaid zijn. Maar in die overwaaitheorie geloof ik niet. In India en Pakistan leven heel andere soortengroepen dan deze Afrikaanse eilandbewoners. Die zijn meer verwant aan de Indonesische soorten en dan

praat je echt over een enorme afstand. Vermoedelijk gaat het om de evolutionaire erfenis van soorten die vroeger in een veel groter gebied leefden.''

In een speciaal doosje koestert hij de fossiele tanden en kiezen van een

vleermuis uit het Mioceen, oorspronkelijk beschreven als een primitieve aap. In die tijd, circa 23 tot 5 miljoen jaar geleden, bestond er een landverbinding tussen Afrika en het Arabisch schiereiland, dat nog steeds veel diersoorten met de Afrikaanse fauna gemeen heeft. Somalië, Ethiopië, Zuid-Soedan en het zuiden van het Arabisch schiereiland waren vroeger bebost. Pas later werd het hier veel droger, de bossen verdwenen en de fauna's van Afrika en Arabië raakten gescheiden. Vroeger moeten de voorouders van deze vleermuissoorten in een uitgestrekt gebied hebben geleefd. Weer andere vleermuizen die je op

Madagascar vindt hebben hun oorsprong duidelijk op het Afrikaanse vasteland.

In de zoogdiersystematiek kun je alleen al aan de schedel tientallen maten meten. De metingen worden steeds verder verfijnd. Zo keek Bergmans

onder meer naar gaten in bepaalde schedelstructuren, waar aderen of zenuwen doorheen hebben gelopen. Positie en vorm van die gaten kunnen belangrijke aanknopingspunten bieden, net als de lengte van de vliezen tussen de tenen van sommige soorten. Ook moleculaire technieken raken in

zwang, maar het is nog lang niet zover dat men op grond van DNA-analyses

de soorten vleermuizen uit elkaar kan houden. Daarvoor blijft de taxonoom aangewezen op anatomische en morfologische kenmerken.

EXTRA KIESJE

Veel kenmerken blijken heel geleidelijk van west naar oost over het Afrikaanse continent te veranderen. Bergmans: “Naarmate je dan meer exemplaren onderzoekt krijg je een heel ander beeld dan van die drie losse exemplaren die in de negentiende eeuw uit het hele continent beschreven zijn. In de loop van de evolutie krijgen de vruchtenetende vleermuizen bijvoorbeeld minder kiezen dan de meeste overige zoogdieren,

maar soms zie je dan ineens nog een klein extra kiesje staan. “Zo'n fenomeen kun je pas goed plaatsen door veel exemplaren te bekijken,” zegt Bergmans. “Daardoor krijg je heel geleidelijk meer inzicht in hoe de evolutie van deze groep werkt.”

Koloniebewonende vleermuizen zijn vaak bezig zichzelf of elkaar te poetsen. Soms zitten ze onder de vlooien of zit er een heel tapijtje van

mijten boven hun staart. Opmerkelijk is dat verwante soorten vleermuizen

ook verwante soorten parasieten hebben. Bergmans: “Binnen één geslacht vind je misschien wel tien verschillende soorten vleermuizen, die allemaal hun eigen vlooien hebben, en die verschillende soorten vlooien behoren op hun beurt tot één

geslacht. Dat zijn prachtige staaltjes van parallelle evolutie: die soorten hebben zich uit één voorouder ontwikkeld, en de vlooien zijn mee-geëvolueerd.''

Onder de Afrikaanse soorten zijn er enkele zeer lawaaiig. Bij de Hamerkopvleermuis hangen de mannetjes in de paartijd in grote groepen in

de bomen heel luid te roepen, daarop komen de vrouwtjes voorbij en kiezen een partner uit. De mannetjes blijken enorme luchtzakken te bezitten om dit merkwaardige zware geluid te kunnen maken. Zulke geluidsinstallaties zijn nu bekend van drie geslachten. Bergmans: “Dit zou je ook bij andere soorten willen onderzoeken, maar daarvan is het museummateriaal te schaars, daar durf ik niet in te gaan snijden. Dat is

nou typisch zo'n los eindje dat nog is blijven liggen. Overigens denk ik

dat er ook nog wel soorten rondvliegen die nog niet door de wetenschap ontdekt zijn. Noord-Angola bijvoorbeeld is nog nauwelijks onderzocht, net als de aangrenzende delen van Zaïre.''

Bij de universiteiten en natuurhistorische musea die Bergmans in Afrika bezocht, trof hij veel westerlingen, soms nog erg op koloniale leest geschoeid, maar ook een groeiende groep zeer goede Afrikaanse biologen en toegewijde natuurbeschermers, academici maar ook parkwachten, vaak uit stropers- of jagerskringen gerecruteerd. Bergmans: “Reservaten worden soms leeggestroopt door omwonenden, al of niet voor de markten in

de stad, en bedreigd door illegale houtkap. In Kenia was het toerisme de

tweede nationale bron van inkomsten, maar door de politieke onrust is het in elkaar geklapt en datzelfde zie je in Zaïre en Rwanda.''

Bergmans: “Ik heb me steeds afgevraagd: wat hebben de Afrikanen nu aan dit proefschrift? Fundamenteel onderzoek in dienst van de praktische natuurbescherming spreekt mij aan. Daarom heb ik duidelijke verspreidingskaarten gemaakt, gecorreleerd met vegetatietypen, zodat mensen kunnen nagaan welke soorten in hun land voorkomen.”

Niet alleen door de ontbossing worden de vruchtenetende vleermuizen bedreigd, maar ook door grootschalige vangsten. In landen als Nigeria en

Gabon worden de dieren veel gegeten - de smaak schijnt nogal sterk te zijn. Ze zijn soms heel gemakkelijk te vangen, vooral de soorten die in grote troepen in de bomen of in grotten hangen. Tegenwoordig worden ze vaak geschoten, maar traditioneel werden ze met vernuftige nettensystemen uit de bomen geplukt.

Nederland heeft in juli 1994 het Biodiversiteitsverdrag geratificeerd en

zich daarmee verplicht bij te dragen aan het behoud van de biodiversiteit, de kennis daaromtrent op peil te houden en te bevorderen. Maar Bergmans stelt spijtig vast dat minister Ritzen “absoluut niets van het vak begrijpt. Die snapt niet waaraan deze wetenschappelijke verzamelingen hun waarde ontlenen en wilde ze zelfs teruggeven aan de Derde-Wereldlanden waar ze verzameld zijn.” Hij constateert dat de grote taxonomische collecties in ons land schandalig worden verwaarloosd. “Kijk alleen al naar de Universiteit van Amsterdam. De conservator reptielen van de Universiteit van Amsterdam, Dick Hillenius, is al tien jaar dood en nooit meer opgevolgd. Ook de conservatoren van de zoogdieren, de vogels en de weekdieren zijn met pensioen en over een paar jaar vertrekt de conservator vissen. Een wetenschappelijke collectie die niet actief wordt beheerd verliest haar waarde. Het materiaal gaat achteruit, er is geen uitbreiding meer, alles

staat stil. Als je internationaal wilt blijven meetellen, moet je op de hoogte blijven.''