Tussen Meijsing en Kopland

“Door de chemie te bestuderen kun je nooit de mens begrijpen,” stelde de dichter-psychiater Rutger Kopland gisteravond in een psychofarmacologische discussie over 'Tussen mes en keel', Geerten Meijsings autobiografische roman over een depressie.

Is de hoofdpersoon van het boek nu dezelfde als de auteur? En is zwaarmoedigheid een voorwaarde voor of een gevolg van het schrijverschap? Over deze oude, al te oude vragen spraken de schrijvers Geerten Meijsing en Rutger Kopland gisteravond, onder leiding van Anthony Mertens, voor een volle zaal in De Balie in Amsterdam. Het was de eerste in een reeks Schrijversgesprekken, georganiseerd door de SLAA.

Aanleiding was de laatste, goed verkochte roman van Meijsing, Tussen mes

en keel, waarin de hellevaart beschreven wordt van Meijsings alter ego Erik Provenier: het verlies van zijn geliefde, zijn depressiviteit en zelfmoordpogingen, een opname in een psychiatrische kliniek, en uiteindelijk het louterende inzicht dat een 'chemische onbalans' in het hoofd de oorzaak is van zijn toestand, die te verhelpen blijkt met psychofarmaca.

Anthony Mertens merkte meteen al in het begin op dat het boek, met zijn vele persoonlijke en pijnlijke details, een erg autobiografische indruk maakt. Hoewel Meijsing volhield dat hij een karakter had geschapen dat niet met hem samenviel, sprak hij toch voortdurend over 'ik' als hij 'Provenier' bedoelde. Net als Provenier werkte Meijsing jarenlang aan een grote roman, De ongeschreven leer, verschenen in 1995, die niet de verwachte doorbraak naar het grote publiek betekende. Hij verloor het houvast aan zijn lang gekoesterde ideaal van de romantische kunstenaar, die onbegrepen en in afzondering van de wereld zijn eigen kunstmatige wereld schept. De melancholie (Meijsing: “depressie is een rotwoord dat

aan het weerbericht doet denken'') die hij toen ervoer, bleek een heel andere dan de melancholie die traditioneel aan de kunstenaar wordt toegeschreven.

“Wie echt depressief is, is niet in staat een kunstwerk te maken,” stelde de dichter Rutger Kopland, onder zijn eigen naam R.H. van den Hoofdakker werkzaam als psychiater. Kopland keerde zich tegen het romantische kunstenaarsideaal, maar gaf wel toe dat iemand voor wie het leven niet problematisch is, niet zo geschikt is als schrijver. Hij kritiseerde Meijsings lofzang op de psychofarmaca, want “door de chemie

te bestuderen kun je nooit de mens begrijpen.'' Meijsing echter had veel

baat gehad bij medicijnen, en schreef zijn eigen depressie toch vooral toe aan een chemische stoornis in de hersenen. Een geërgerde Kopland zei dat nog geen enkele wetenschapper weet waar het defect precies zit bij de depressieve patiënt, en dat een stoornis net zo goed door de persoonlijke omstandigheden veroorzaakt kan worden. De literaire betekenis van Meijsings roman, de eigenlijke aanleiding voor deze avond, bleef door al dit vergeefse gespeculeer vrijwel buiten beschouwing. “Ik ben niet geïnteresseerd in de schrijver, alleen in het boek,” zei Kopland, maar dat mocht niet baten. Meijsing was een onderhoudend prater, en even schaamteloos als in zijn boek.