te hermaken

Dwars tegen het tijdsbeeld in gelooft Adriaan van der Staay dat de samenleving maakbaar is. Maar die maakbaarheid staat of valt met de maatschappelijke elite die haar verantwoorde- lijkheid neemt. Daar schort het nogal eens aan, meent de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Volgende week gaat hij met pensioen.

Sociaal en Cultureel Planbureau - de naam alleen al suggereert een rotsvast geloof in de maakbaarheid van de samenleving. Het bureau, een nalatenschap van het kabinet-Den Uyl, is vooral bekend van het dikke tweejaarlijkse Sociaal en Cultureel Rapport, dat fungeert als een soort thermometer van de Nederlandse samenleving. Daarnaast verschenen in de loop der jaren zo'n tweehonderd studies over allerlei onderwerpen.

Dat Adriaan van der Staay al bijna twintig jaar directeur is van dat instituut, daar merkte de 'gewone' buitenwereld niet zo veel van. Hij schreef het voorwoord bij rapporten, maar liet verder zijn onderzoekers het woord doen. Van der Staays werkterrein lag vooral achter de schermen

van de macht. Uit hoofde van zijn functie maakt hij deel uit van een onderraad van de ministerraad. Regelmatig spreekt hij bewindslieden, topambtenaren en bestuurders die ertoe doen. Tevens is hij cultureel adviseur van de koningin. Zo brengt hij niet alleen het werk van het bureau onder de aandacht, maar peilt hij ook aan wat voor onderzoek behoefte zou kunnen zijn. Wat leeft er? Waar liggen lacunes in kennis?

“Vaak is voor degenen die het beleid maken onduidelijk waar het nu echt

om gaat, wat nu precies bestreden moet worden. Men doet soms maar wat, omdat men denkt dat een probleem heel urgent is, zonder de precieze omvang ervan te kennen. Er zijn bij wijze van spreken beleidsambtenaren die denken dat er in Nederland twee miljoen daklozen zijn, er zijn er die denken dat er twintigduizend zijn. Het is van belang te weten hoeveel er zijn. Pas dan kun je afwegen hoeveel geld je wilt besteden aan hoeveel gevallen.

“Daar ligt de taak van planbureaus als het CPB en het SCP. Wij hebben de ondankbare taak om wanneer Den Uyl roept dat er sprake is van een tweedeling in de samenleving aan hem te vragen of dat een tweedeling is naar inkomen, naar arbeid, naar opleiding, of dat hij wellicht bedoelt dat een deel van de mensen onvoldoende participeert in het politieke proces. Wat ís dan die tweedeling precies? Dat is een eerste kritische vraag, niet omdat je kritiek wilt leveren, maar omdat je wilt weten wat nu eigenlijk het probleem is. Het planbureau begint altijd met

kritiek en dat baart in de politiek niet altijd groot enthousiasme.

“Als we dan een vraagstuk als armoede verder analyseren en constateren dat het in belangrijke mate gaat om bijstandsmoeders, om alleenstaande ouders, om verpleeghuisbewoners, dan reageert de politiek verveeld. Dat verhaal hebben ze al zo vaak gehoord, ze willen wel eens wat anders. Maar dan moet een planbureau de hardnekkigheid hebben om telkens weer te

blijven zeuren over die armoede.''

Luistert de politiek eigenlijk wel genoeg naar u?

“Ik heb nooit de illusie gehad dat er naar het planbureau zou moeten worden geluisterd. Zo werkt beleid niet. Beleid is in hoge mate een kwestie van personen en netwerken, van stemmingen en opkomende problemen

waar snel op gereageerd moet worden. Het werk van politici bestaat voor een belangrijk deel uit het bereiken van consensus. Het soort informatie

dat van een planbureau komt, komt paradoxaal genoeg bijna altijd te laat. Het kost nu eenmaal veel tijd om gegevens te verzamelen, te analyseren en te toetsen. Soms is er een jaar weg voordat je überhaupt een tabelletje hebt. Vaak is dan de hele aandacht voor het vraagstuk alweer voorbij.

“Aan de andere kant zijn we ook vaak te vroeg. Lang voordat iets zich als een probleem voordoet kan het planbureau het reeds signaleren. Het probleem van de etnische minderheden is door het planbureau sinds zijn bestaan in 1974 als ernstiger gekwalificeerd dan men toen meestal onderkende. Maar de Nederlandse politiek had de neiging te denken: we hebben zo veel immigratiegolven gehad, we hoeven ons niet echt zorgen te

maken.

“Kortom, de planbureaufunctie is niet direct gekoppeld aan het dagelijks beleid. Wil dat nu zeggen dat die niet nuttig is? Dat denk ik niet, en dat zeg ik niet alleen maar omdat een planbureaudirecteur nu eenmaal moet opkomen voor zijn winkel. Er gaat opmerkelijk weinig informatie verloren. Een voorbeeld daarvan betreft de onderbenutting van

de huursubsidie, een verschijnsel dat wij al acht jaar geleden hebben gesignaleerd. Beleidsmatig werd dat niet opgepakt: men zag huursubsidie als een onderdeel van het volkshuisvestingsbeleid, en daarbinnen vormde die onderbenutting geen probleem. Toen vorig jaar de aandacht toenam voor armoedebeleid en men zicht wilde hebben op mogelijke maatregelen, hebben we opnieuw gewezen op de onderbenutting van de huursubsidie. Dit keer was er ineens wel veel politieke aandacht voor.

“Terwijl allerlei onderzoeken eenmalig zijn, heeft het SCP een vervelend soort hardnekkigheid: elk jaar weer met de Sociale en Culturele Verkenningen en elke twee jaar met het Sociaal en Cultureel Rapport. Het planbureau is een stalker, een soort intellectuele stalker van het beleid.”

Wil men wel weten hoe het precies zit?

“Het eerste Sociaal en Cultureel Rapport onder mijn leiding verscheen kort nadat het kabinet-Den Uyl was verdwenen. Den Uyl liet me al snel weten dat ik een conservatief rapport had uitgebracht. Maar de rol van een bureau als het SCP is nu eenmaal om vast te stellen en te analyseren. Dat gaat niet zo goed samen met allerlei bevlogenheden. Dat blijft altijd een punt van wrijving tussen beleidsadvisering van wetenschappelijke aard en politici als Den Uyl of mijn vriend Van Mierlo

die in de eerste plaats inspirationeel zijn.

“De sociaal-democratie had ook altijd iets heel bevlogens dat de beoordeling van de werkelijkheid in de weg stond. Dat is wel minder geworden, zoals onder meer bleek uit Koks Den Uyl-lezing, en zoals ook te zien is bij Tony Blair. De grootste ideologische blinde vlekken zijn weg, maar er zijn er nog wel: het kán toch niet zo zijn dat wij constateren dat de gemiddelde kiezer van de PvdA of de gemiddelde progressieve mens nog altijd voor zijn transport de auto gebruikt. Maar toch is het zo. De vraag is dus hoe we die auto zo goed mogelijk kunnen accommoderen in onze samenleving. Als je je alleen maar afvraagt hoe we die automobiliteit kunnen bestrijden, dan verlies je je in illusies.”

Ten tijde van het kabinet-Den Uyl leefde het geloof in maakbaarheid van de samenleving nog in volle glorie. Dat is eigenlijk kort daarna snel afgekalfd. Hoe komt dat?

“Den Uyl was, zoals ik hem heb meegemaakt, nog erg bevlogen door de inspiratie van het interbellum. Daarin was hij niet de enige. Als reactie op de Eerste Wereldoorlog kwam er een gevoel van maatschappelijk

en cultureel onbehagen over Europa over de wijze waarop de leidende laag

die oorlog over het continent had laten komen. Er zijn zo'n twintig miljoen mensen eigenlijk voor niets gesneuveld.

“De reactie op dit leiderschapsdebacle is voor een belangrijk deel ideologisch geweest. Men wilde het gevoel van maatschappelijk zinvol handelen herstellen via een utopie. Een belangrijk deel daarvan was totalitair, zoals bekend - nazistisch, fascistisch - maar het utopisch denken was veel breder verspreid. Dat is een verschijnsel dat in heel Europa heeft plaatsgevonden en pas in de jaren zeventig, in het ene land

eerder dan in het andere, is gaan verdwijnen.''

Eigenlijk kun je dus zeggen dat men toen pas heeft afgerekend met de erfenis van de Eerste Wereldoorlog. Maar enige nuchterheid kan toch geen

kwaad?“Waarvoor ik waarschuw is dat met het verdwijnen van de illusie van een volstrekt andere samenleving het hele idee van maakbaarheid verdwijnt. De samenleving is juist in hoge mate maakbaar. De neiging om het idee van maakbaarheid op te geven, is voor een groot gedeelte ingegeven door ideologische overwegingen, door een behoefte aan een samenleving die zichzelf stuurt en waarvoor men geen verantwoordelijkheid hoeft te dragen.

“Die gedachte vind ik gevaarlijk. En die gedachte wordt ook door onze samenleving niet geaccepteerd. Een voorbeeld daarvan is de heftige reactie op de recente affaire in Groningen. Het leeft heel diep in onze samenleving dat de leidende laag verantwoordelijk dient te zijn en ook kan worden gesteld voor de oplossing van vraagstukken. Dat veronderstelt

dat bij de bevolking heel sterk gevoel van maakbaarheid leeft.''

Wat bleek bijvoorbeeld maakbaar terwijl men er op voorhand vanuit ging dat er niets aan te doen was?

“Een minivoorbeeld uit eigen ervaring. Tien jaar geleden bereikten de Nederlandse regering signalen dat Willemstad aan het verloederen was. Toen zijn Jacques Veeris, ex-minister van Onderwijs van de Nederlandse Antillen, en ik daar naartoe gegaan. De situatie was erbarmelijk. Hele buurten werden gesloopt, omdat prostitutie en drugshandel zich er hadden

genesteld. Een kwestie van tien jaar, dan had je de stad niet meer herkend.

“Men had daar eigenlijk het gevoel dat de ontwikkelingen onafwendbaar waren, maar toch hebben we een paar dingen in gang gezet. We hebben beide regeringen een protocol laten tekenen met als doel Willemstad op de werelderfgoedlijst te krijgen. Daarmee was er iets concreets om naartoe te werken. Voor de Antillen werd vervolgens een monumentenwet opgesteld - die was er niet - en kwamen er enkele organisaties voor monumentenzorg. In Nederland werd gelobbyd om deel te nemen aan de werelderfgoedconventie - waarvan men tot dan toe de noodzaak niet had ingezien. Vervolgens werden er jaarlijks ettelijke miljoenen in het opknappen van Willemstad gestopt.

“In tien jaar tijd werd een maatschappelijke ontwikkeling die door vrijwel iedereen als onvermijdelijk werd gezien, gekeerd. Waarom? Omdat een beperkt aantal mensen zich daarvoor heeft willen inspannen, omdat de

overheid dat krachtig heeft ondersteund en omdat er aan beide zijden een

mobilisatie is geweest om door allerlei bureaucratische belemmeringen heen te breken. Het is voor een belangrijk deel de menselijke inzet die de maakbaarheidsgedachte laat slagen of mislukken.''

Ondanks het tanend geloof in maakbaarheid neemt de hoeveelheid beleid alleen maar toe. Er zijn nog nooit zo veel nieuwe wetten en regels gemaakt als nu. Hoe kan dat?

“Wanneer zich een bepaald vraagstuk voordoet heeft elke politicus de neiging te zeggen dat daaraan iets gedaan moet worden. Dat verwacht de bevolking ook van hem. Er zullen heel weinig politici zijn die de moed hebben om te zeggen: hier kunnen we helemaal niets aan doen. Dus zal hij

proberen snel iets te doen met de middelen die voorhanden zijn. Vaak is dat symboliek. Het zijn vaak in de eerste plaats maatregelen die bewijzen dat de politicus actief is in de oplossing van een vraagstuk, zonder dat hij per se beschikt over een dieper inzicht in de oorzaken ervan.

“Dat inzicht is wel belangrijk. De bevolking zegt bijvoorbeeld: wij willen een grotere veiligheid. De neiging van politici is dan onmiddellijk te denken in termen van geld en regelgeving. Men zal dus zeggen: er moeten meer agenten komen, meer rechters, meer cellen. Dat is

allemaal niet onjuist - al die dingen zijn op zichzelf wel nodig - maar men moet zich eerst afvragen: waar komt die criminaliteit eigenlijk vandaan? Als men dan bijvoorbeeld ziet dat, zoals onlangs in Utrecht, het grootste deel van de criminaliteit wordt gepleegd door een betrekkelijk kleine, vaak etnische groep, dan zou men zich er het beste op kunnen richten om dáár nieuwe methoden te vinden het probleem te lijf te gaan, in plaats van de hele samenleving te gaan bezwaren met nog meer agenten, nog meer rechters en nog meer cellen.''

De sociaal-democratische cultuurpolitiek heeft altijd een sterk opvoedend element gehad. Niet alleen de samenleving werd maakbaar geacht, ook het volk, of zelfs de mens.

“Het idee van de maakbare mens is praktisch verdwenen. In plaats daarvan is gekomen dat van de zelfmaakbare mens. Het is niet voor niets dat het boek van Montignac nu een bestseller is. Want iedereen is bezig zichzelf te hermaken. Dat is in overeenstemming met mijn eerdere analyse: we leven in een samenleving die geen krachtige centrale persoonlijkheden of partijen meer heeft die proberen op te leggen hoe de

samenleving zou moeten zijn of hoe de mens zou moeten zijn. In plaats daarvan is een roezemoezige samenleving ontstaan, almaar babbelend met elkaar over wat mooi en lelijk is, of goed en kwaad. Uit dat proces van normering - want het zijn toch normen die daaruit komen, het is geen normloze samenleving - is een soort collectief zelfdoen aan het ontstaan

waardoor mensen wel degelijk zichzelf maken.''

Dat proces verloopt vanzelf. Iedereen scharrelt wat in onderling overleg. Dat past toch juist heel goed bij de houding die u bekritiseert: dat de samenleving als geheel ook zo'n gescharrel is en wel vanzelf zijn weg zal vinden?

“Er is een groot verschil tussen scharrelen rondom je eigen levensstijl

en het scharrelen met een collectieve levensstijl. Je kúnt de verantwoordelijkheid voor grotere systemen niet overlaten aan al te veel

modes. Je kunt niet zeggen: laten we de universiteiten nu maar afschaffen, want iedereen kan toch wel zelf thuis vanaf Internet zijn kennis vergaren. Zo'n idee kan wel ontstaan en zelfs geweldig aanslaan, maar als je een universitair bestel opheft, krijg je het niet zomaar weer terug. Dan ben je het voor goed kwijt. Er is kortom een heel grote verantwoordelijkheid voor de continuïteit van de samenleving. Mijn kritiek is gericht op het idee dat men zich niet meer collectief verantwoordelijk zou hoeven voelen, omdat het zich allemaal wel regelt via private beslissingen. Want dat is niet zo.''

Er is natuurlijk een zekere intellectuele verwantschap tussen laisser faire op het gebied van de persoonlijke smaak en laisser faire in de politiek.

“Dat is ook het gevaar! Wanneer we niet actief vorm zouden geven aan de

samenleving als geheel, vervallen we niet alleen in een laisser faire van 'de mensen moeten het zelf maar uitzoeken', maar ook in een soort oncreatief conservatief denken over de samenleving. Dan komen allerlei gemakzuchtige ideeën weer op, zoals dat de mens is wat hij nu eenmaal is, door zijn geboorte, zijn ras of zijn buurt- of taalgemeenschap.

“Die gedachte is veel breder verspreid in onze samenleving dan men gewoonlijk denkt. Er bestaat een populistische vorm van, zoals bij mensen die bang zijn voor verandering in het algemeen, bang zijn voor binnenkomende buitenlanders. Maar er bestaat ook een intellectuele variant van. Die zie je bij uitstek bij een figuur als Samuel Huntington

(auteur van The Clash of Civilizations and the Remaking of World Order, red.). Huntington is een voorbeeld van het intellectueel conservatieve denken van vandaag, omdat hij er van uitgaat dat de samenleving niet veranderbaar is. Hij beweert dat de collectieve trekken van de Westerse samenleving worden ingegeven door het christendom, door een bepaald Westers denken dat er nu eenmaal is. Daarom is volgens hem iedere gedachte aan mensenrechten over de hele wereld een illusie omdat alle volkeren nu eenmaal anders zijn.

“Dit denken leeft volop in de intellectuele en politieke bovenlaag van Europa. Ik verzet mij daartegen. In de Internationale Spectator heb ik als bijdrage aan een discussie een artikel geschreven onder de titel Anti Huntington. Dat maakt tot mijn spijt weinig reacties los. Men laat het er maar een beetje bij, terwijl het van het grootste belang is over dit soort kwesties verder te discussiëren. Standpunten als die van Huntington hebben namelijk consequenties, ook voor de binnenlandse politiek. Die consequenties worden sterk onderbelicht. Als je zegt dat je tegen Huntington bent, dan zeg je dat de islamitische aspecten van immigranten in Nederland maar één facet zijn van de situatie, en dat ze in de eerste plaats normale Nederlanders zijn met normale menselijke karakteristieken en behoeften. Daarmee zeg je dat je bereid bent de dialoog met hen aan te gaan, en daardoor ontwikkelt zich uiteindelijk een samenleving van nieuwe Nederlanders. Dat is een niet-conservatieve, progressieve houding.

“Als je zegt dat je voor Huntington bent, raak je verzeild in situaties

zoals in Duitsland, waar volkomen in Duitsland opgegroeide Turken die alleen maar Duits spreken nog steeds in de eerste plaats als Turk worden

gezien. Dat is een fundamenteel gevaar. Als men dat twee generaties lang

volhoudt, is men bezig voor zichzelf een nieuw jodenprobleem te creëren.''