Roesmiddelen zijn verre van heilig

De standpunten die Erik van Ree aandraagt voor legalisering van drugs zijn zo langzamerhand even veelkleurig als de pilletjes die de ronde doen op house-parties. Liberale, sociaal-democratische en zelfs neo-conservatieve argumenten passeren de revue in zijn jongste apologie voor algehele legalisering (10 februari).

“Zowel vanuit een liberale vrijheidsgedachte, als vanuit een sociaal-democratische bewogenheid met de zwakken of een neo-conservatieve betrokkenheid op wetshandhaving en orde, is het hoog tijd de oordelen over wat maatschappelijk gewenst is te herzien”, meent

Van Ree.

Als de socioloog Van Ree zich in zijn eerdere spraakmakende bijdragen aan het drugsdebat niet zo'n spijkerharde rationalist had betoond, zou je denken dat de 'bulderende campagne' die hij vorig jaar beloofde namens het Comité voor Recreatief Drugsgebruik, inmiddels is verwaterd tot een wanhoopsoffensief. Alle middelen zijn welkom, als ze maar werken. Zo wil hij het met drugs, en kennelijk ook met argumenten.

Maar of die aanpak overtuigt, is een tweede. Zo zullen vooral radicale libertijnen of zelfs staatshaters zich herkennen in het eendimensionale vrijheidsidee dat Van Ree's Comité hanteert, en waarvan hij ten onrechte meent dat het de grondslag vormt voor de Westerse samenleving. Samengevat komt dat idee erop neer: je bent vrij om met je lichaam en geest te doen wat je wilt, zolang anderen er maar geen schade van ondervinden. Maar de leerplicht, de vroegere dienstplicht en stemplicht laten zien dat die vrijheid niet absoluut is, en dat de samenleving ook op een andere notie, die van burgerschap, is gebaseerd. Of het vrijgeven

door de overheid van àlle drugs - niet alleen van hasj en de explosief in potentie opgekrikte nederwiet - zich daarmee verdraagt, is nog maar de vraag.

Een ware libertijn zal menen van wèl, maar daarentegen bij de beheersende taak die Van Ree aan de staat gunt, terugschrikken als een vampier voor een bos knoflook. De overheid dient drugs volgens hem niet zozeer uit armoede te legaliseren (omdat de war on drugs nu eenmaal een verloren zaak is), maar op grond van een veel positiever inzicht: via drugsgebruik kunnen de ontregelende krachten in de menselijke psyche worden gekanaliseerd. Drugs vormen volgens hem namelijk een 'noodzakelijke tegenhanger' van een rationele, technologische cultuur.

Daar zit veel in. Maar van zulke particuliere behoeftes moet de overheid

volgens libertijnen nu juist afblijven. De overheid heeft er niets mee te maken wat een man in zijn vrije tijd doet, zoals ze er ook niets mee te maken heeft of hij een M-16 in huis heeft. De libertijn ziet hier de Brave New World opdoemen: de staat die de burgers overdag afbeult en hun

in het weekend een roesje gunt om even op adem te komen.

Sociaal-democraten en sommige conservatieven zullen misschien wèl

iets zien in dit beheersingsargument van Van Ree. Maar die zullen op hun

beurt niets moeten hebben van zijn ongeamendeerde vrijheidsbegrip: het recht om je vol te stoppen met pillen of dood te drinken in een bar, zolang je er maar geen lawaai bij maakt. Ergens tussen de vrijheid van de tapkast en de gelijkheid van de brancard is hier de broederschap verloren gegaan.

In Van Ree's 'uitlaatklep'-argument schuilt bovendien een contradictie. Hij heeft vermoedelijk gelijk met zijn stelling dat de rationalisering van de samenleving noodzakelijkerwijs vormen van 'neo-primitivisme' oproept, zoals we die kennen uit de tegencultuur van de jaren zestig, die inmiddels via Veronica en RTL is gepopulariseerd. Maar dat is eerder

een argument tegen legalisering. Legalisering van alle drugs, zoals Van Ree voorstaat, zou betekenen dat ook de neo-primitivistische subculturen

van drugsgebruikers gekoloniseerd raken door de staat, en worden opgeslokt door een cultuur van rationalisatie waar ze juist tegenwicht tegen moeten bieden.

Voorstanders van algehele legalisering die dit argument gebruiken, zingen een vrijheidslied op een slavenschip. Hoe heilzaam is het om in Halfweg voor sjamaan te spelen als een controleur van de overheid over je schouder mee staat te kijken om de ayahuasca te stempelen? Of is dat heimelijk wat Van Ree wil: met goedgekeurde staatspillen thuis op de bank een trip maken? Maar dan zijn niet de tegenstanders van legalisering de 'nieuwe braven', zoals Van Ree hen neerbuigend noemt, dan is híj het.

In dit deel van zijn betoog wringt nog iets anders. Van Ree presenteert het 'uitlaatklep'-argument als moreel neutraal, maar dat kan hij niet menen. Volgens dezelfde redenering kun je volhouden dat het dodelijke voetbalgeweld bij Beverwijk een heilzame ontlading was, die heeft bijgedragen tot de sociale cohesie en daarom onder staatstoezicht moet worden herhaald. Of dat de extatische zelfverrijking van beurshandelaren

(dé sociale groep waar Van Ree's 'seks, drugs & rock 'n' roll-levensgevoel' tegenwoordig is te vinden) een bewonderenswaardige oprisping is van neo-primitief hedonisme. Dat zou wel heel cynisch gedacht zijn, zelfs voor iemand die libertijn, socialist en neoconservatief in zichzelf probeert te verenigen.

Van Ree moet ervan overtuigd zijn dat drugsgebruik, door de inhoud van de ervaring, een nobeler daad is dan een ander in elkaar schoppen of je zakken vullen met voorkennis. Maar wat wèten we eigenlijk van al die ervaringen, bijvoorbeeld met psychedelische drugs, behalve uit radicaal andere (namelijk echt primitieve) culturen, en uit subjectieve juichverhalen over flashbacks naar het geboortekanaal?

Voorstanders van volledige legalisering wijzen erop dat we 'al' sinds de

jaren zestig ervaring hebben met drugs. Maar wat is dertig jaar? De strijd om tabak en alcohol hebben we in de afgelopen driehonderd jaar verloren. Het is te vroeg om nu ook al de witte vlag te hijsen voor de volgende generaties roesmiddelen die het mondiale kapitalisme aanbiedt.