PINKER

Het interview van Hendrik Spiering met Steven Pinker, auteur van het boek 'How the mind works' ('Wij zijn geweldig', W&O, 24 januari) liet een onbevredigd gevoel bij mij achter. Dat ons gedrag in belangrijke mate berust op “aangeboren informatieverwerkende capaciteiten van de hersenen, in de loop van duizenden generaties in de evolutie vastgelegd als antwoord op de uitdagingen waar de jagers/verzamelaars mee te maken kregen”, is mijns inziens een loze kreet zolang niet wordt aangegeven uit welke uitdaging en langs welke weg een bepaald gedrag ontstaan is.

Je kunt beter uitgaan van de behoeften die de primitieve mensen hadden (aan voedsel, beschutting, veiligheid e.d.) en aan de manieren waarop ze bevrediging van die behoeften zochten.

Het vreemde is dat Pinker zijn principe niet toepast op het ontstaan van

de moraal. Voor dit probleem probeert hij (vergeefs) een oplossing te vinden langs fysische of fysiologische weg, getuige zijn verzuchting 'Hoe kon ooit iets als 'behoren-te-doen' ontstaan in een wereld van atomaire deeltjes en planeten, van genen en lichamen?' Dit is voor Pinker een van de raadsels in het menselijk bestaan.

Het raadsel is echter niet zó groot. Spiering had de oplossing ervan kunnen vinden in mijn boek 'De achtergronden van de moraal' uit 1996. Daarin zet ik uiteen hoe volgens mij de moraal ontstaan is uit het

streven naar zelfbehoud bij de primitieve mens. Zijn behoefte aan veiligheid vereiste dat hij in een groep leefde die hem bescherming bood

en die zich kon handhaven tegenover andere groepen. Daarvoor was echter nodig dat de groep een hechte eenheid vormde en dat de leden eensgezind samenwerkten. Daarom werd gedrag dat leidde tot ruzie en wrok afgekeurd en slecht genoemd. Omgekeerd werd gedrag dat de eendracht vergrootte, zoals het bijstaan van groepsgenoten, geprezen en goed genoemd.

Gedrag dat voortdurend wordt afgekeurd zal op den duur negatieve emoties

oproepen en gedrag dat voortdurend wordt geprezen positieve. Zo zijn dus

de morele gevoelens ontstaan. Doordat verder het bezit van een moraal een groep een voorsprong geeft op andere groepen heeft de moraal zich door groepselectie snel kunnen verspreiden over de hele bewoonde wereld.

Vanzelfsprekend heeft daarna nog een uitgebreide evolutie van de moraal plaatsgevonden, waarin zij ten slotte nauw verbonden is geraakt met de godsdienst. Vermeldenswaard is dat het ontstaan van esthetische gevoelens op analoge wijze verklaard kan worden (zie mijn 'Evolution and

Counter-evolution', blz. 131).

Helaas wordt aan boeken van buitenlanders (vooral Amerikanen) gewoonlijk

veel meer aandacht besteed dan aan vergelijkbare boeken van landgenoten.

Vermoedelijk hebben we hier te maken met de neiging van vele Nederlanders om alles wat uit het buitenland komt per definitie hoger aan te slaan dan wat door een landgenoot wordt geproduceerd. Amerikanen,

maar ook Engelsen en Fransen reageren op dit punt precies tegengesteld. Een klein beetje meer chauvinisme zou voor ons Nederlanders soms geen kwaad kunnen.

Naschrift Pinker

Het is mogelijk dat moraliteit geen probleem vormt. Er zijn mensen, zoals Robert Wright (wiens boek 'Darwins geweten' vorig jaar in Nederlandse vertaling verscheen bij de Wereldbibliotheek, red.), die menen dat moraliteit eenvoudig een kwestie is van een menselijke smaak. Zoals sommige mensen van aardbeienijs houden en anderen niet. Veel morele filosofen uit de traditie van het logisch positivisme delen die opvatting. De morele 'smaak' biedt volgens deze argumentatie een evolutionair voordeel omdat ze er toe leidt dat anderen ons vertrouwen en met ons samenwerken. En dat is het einde van het verhaal.

Maar er zijn ook anderen, die geloven dat morele opvattingen een realiteit hebben die los staat van onze mentale gewoonten. Dus: slavernij en de holocaust ZIJN verkeerd, en dat niet alleen maar omdat wij ze als verkeerd ERVAREN. Als door een plotselinge mutatie de hele volgende generatie geboren zou worden zonder enig moreel gevoel, dan zouden deze gebeurtenissen nog altijd verkeerd zijn. Zelfs al zou geen mens er kwaad in zien. Een analogie van deze redenering is te vinden in de wiskunde: 1+1=2 is waar - of er nu mensen zijn die geloven dat dat waar is of niet. Deze tweede benadering wordt 'moreel realisme' genoemd en veel morele filosofen geloven daar tegenwoordig in. Deze opvatting roept wel het mysterie op hoe morele waarheden een werkelijk bestaan kunnen hebben in een of ander niet-fysiek, niet-psychologisch gebied. Het is hetzelfde probleem als van het bestaan van wiskundige waarheden in een niet-fysiek, niet-psychologisch gebied. Maar inderdaad, als je gelooft in de eerste opvatting (of wanneer je gelooft dat de moraliteit van God komt). dan bestaat dit probleem niet.

Steven Pinker, Boston