Misslag

Een misslag op het ijs heeft voor de mooiste beelden van Nagano gezorgd. De schoonheid van de nederlaag, daar kan geen goud tegenop.

Ze zaten op een bankje na de race op de 1500 meter, Ritsma en Postma. Wezenloos, geslagen door een inherente kou waar geen einde meer aan kwam. Ids kon de lippen nog net bewegen: “Ik kwam onder hem door, ik dacht ik heb 'm, ik had 'm ook. Ik gooi de handen los en ik maak een misslag. Toen lag Sondral weer voor.” Rintje zei niets meer. De kramp in de benen was naar het gezicht getrokken. De nekspier was ingestort. Een hoofd van brokstukken keek de wereld in en zag niets.

Zilver en brons, en doodongelukkig. Zo ontstaat legendevorming: het wezen van sport. Zo ontdaan, zo ontheven van talent en ambitie hadden we

Rintje Ritsma nog niet gezien. Het domme Sanex-geluk was ineens helemaal

weg. Het is wreed een kampioen te zien lijden, maar het is ook van een weergaloze schoonheid. Het homogeniseert. Verliezen is een vorm van verdorpsing: we zijn weer mensen met elkaar.

Ze zijn toch nog naar het Holland House gegaan om zich te laten toespreken door de maëstro's van het gejank en gezeur. De agenda van bobo's is onverbiddellijk. Postma en Ritsma lieten zich gewillig optillen door een ballon van lege woorden. Als volwaardige profs doorstonden ze wat niet te doorstaan is: jubel over hun dood. Niets is weerzinwekkender dan een rituele slachting van de olympische eltite in het Holland House. Intellectuelen, dominees, de gestaalde kaders van Philips en Shell zouden na de dreun van een gelijkaardig verlies niet eens meer gedag kunnen zeggen tegen hun vrouw. Zij zouden zich opsluiten

in hun donkerste kant: alleen op de wereld. De twee schaatsers lieten het barbaarse geroezemoes van de Heinekennatie gedwee over zich heen denderen.

De grootsheid in de nederlaag van sommige sporters blijft een beschavingsmysterie. Louis van Gaal heeft het niet, Jan Raas was ook niet echt een getalenteerd verliezer. De demonstratie van Postma en Ritsma - toch jongens met minder academisme en mercantiele sluwheid - is

des te imponerender. Van binnen versplinterd in scherven, van buiten deelachtig aan het rumoer van het Oranjeplebs, doe het maar na.

De verstorven stillevens van Ritsma en Postma na de 1500 meter waren zo'n schril contrast met de glundering van officials en hun folkloristische aanhang dat ik het nu zeker weet: bobo's zijn een ras dat om uitroeiing vraagt. Die immense tevredenheid van de heren met zichzelf en met de wereld, over wel en wee van de atleten heen, blijft maar als een rectale kanker vreten aan prestaties en emoties. Dit is parasitisme van het ergste soort.

Het lamlendige geknoei tussen de KNVB en ex-Team Holland over portretrechten, sponsorprivileges en andere gemaakte afspraken is ook weer zo'n illustratie van bobo-moraal. Het gaat niet om het Nederlands elftal, om tricolore eer, om spectaculaire natiezucht, het gaat om commercie. Het gewin staat voorop, niet het resultaat. De jezuïtische instelling van zogenaamd koninklijke verenigingen en bonden, die de collectieve droom van de sportnatie hoog in het vaandel voeren, maar steeds weer ontmaskerd worden als particuliere geldwolven ettert maar door. Alles wordt toegedekt met de mantel der verdwazing. Niks Oranje boven, eerst Oompje.

Nu, zoveel dagen later, zingt de pijn van Ritsma en Postma nog rond als een geruis van oude verfijning. Niet voor Huibregtsen, Geesink en Terpstra. Zij zijn al lang blij dat ze in hun boboplunje voor het oog van de camera mogen rondlopen. Dat ze hun schijnvertoning van verwondering en vervoering kunnen opvoeren in een nationalistische kerker als het Holland House. Dat ze zich weer eens kunnen koesteren aan

de gunst van de vleierij. Want zo is het ook: het volk heeft de bobo's die het verdient.

Er is een uitzondering. Het lichaam van Ard Schenk is, zoals de meeste bobo-lijven, gemaakt om veel stoom af te geven. Maar de chef de mission is in Nagano gereserveerder dan ooit. Ik had hem wel graag op dat bankje

gezien, tussen Rintje Ritsma en Ids Postma. De drievuldigheid van de dood in ijs gegoten.