Mijn vader in Indië

Mijn vader was in 1946 zevenentwintig. Hij was dat jaar ver van huis.

Hij staat op om me een hand te geven. “Ha jonkie.” Ik ga tegenover hem

zitten, doe mijn tas open, pak mijn spullen en reik hem een boek aan met

een geduchte goudkleurige krokodil op de kaft. Gedenkboek 1-5 R.I. Als kind vond ik dit haast net zo spannend als de kinderbijbel van Anne de Vries, en ik heb het mij al lang geleden toegeëigend.

Mijn vader begint te lachen. “Ik ga geen oorlogsverhalen vertellen

hoor'', zegt hij. En het grappige is: tijdens ons gesprek krijg ik de indruk dat hij wel degelijk oorlogsverhalen zit te vertellen, maar als ik later mijn aantekeningen doorneem, begin ik toch weer te twijfelen.

Goed, hij had geen trek zijn hele leven grondwerker te blijven. Hij wou het leger in en werd oorlogsvrijwilliger. “Let wel”, zegt hij, “ik meldde mij vóór de eerste atoombom, vóór de Japanse capitulatie, vóór het einde van de Tweede Wereldoorlog.” Vrijwilliger voor onbepaalde tijd, met inzet overal ter wereld - dat waren contractbepalingen waarvan je de consequenties toen maar moeilijk kon overzien.

“We zaten”, zegt hij, “op de Johan van Oldenbarnevelt en als het aan de Nederlandse regering gelegen had, waren wij rechtstreeks naar Java gegaan. Ze hadden toen een eenheid stoottroepen in Soerabaja, verder waren wij de eersten. Maar formeel vielen we onder het SEAC, lord Mountbatten, de Engelsen. En de Engelsen wouwen ons helemaal niet op Java hebben.”

Straat Malakka lag nog vol met mijnen. Voortdurend sloepenrol. Zwemvesten met een rood lichtje. Net of ze op die schuit dienst deden als kerstverlichting.

Bij Singapore bleven ze op de rede liggen. Toen moesten ze, door diezelfde zeestraat, terug naar Pinang. Daar aan land, 's avonds op de trein, 's morgens in Ipoh, een eind in het binnenland van Malakka. Kerstmis '45.

“Daar hebben we”, zegt mijn vader, “een nadere training gehad. Zwaar,

zeer zwaar. Lange-afstandsmarsen met volle bepakking onder die tropenzon. Zo kwamen we een keer in een ananasveld terecht en toen heb ik voor het eerst ananas geproefd.''

“En daar”, zegt hij, “kreeg ik bericht van jouw geboorte. Dat was op een dag dat de rantsoenen werden uitgereikt en voor onderofficieren zat daar een liter gin bij, dus er kon meteen op geklonken worden.” Per 1 januari '46 had hij de tijdelijke rang van sergeant gekregen.

Eind maart weer naar Pinang, aan boord van de City of Canterbury, nog eens door Straat Malakka, zwemvesten met rode lichtjes, ontscheept in Tandjong Priok en per Dakota naar Bandoeng. Een zee van groen, herinnert

hij zich. Heuvels, rijstvelden, kleine riviertjes.

Eerst op de zuidoostflank van Bandoeng, later meer in de richting van Batavia. Mijn vader zoekt in het gedenkboek (eerste bataljon vijfde regiment infanterie) de bijbehorende kaartjes op, spelt plaatsnamen en verstrekt nu en dan een bijzonderheid. Hier een begraafplaats die gezuiverd moest worden van snipers, hier een Japans munitiedepot dat met

een onvoorstelbare klap de lucht inging, hier een rubberplantage die weliswaar buiten onze corridor lag maar toch maar ingenomen moest worden

- en toen kwam er goddomme hoog bezoek uit Bandoeng. Wat dat geweervuur te betekenen had? Saluutschoten voor de koningin! Ja, dat kwam mooi uit,

31 augustus, verjaardag van Wilhelmina, het was 31 augustus 1946.

“Hadden jullie enig idee van het nut van jullie aanwezigheid daar?”

“Daar maakte niemand zich druk om.”

“Wanneer kreeg u in de gaten dat het gewoon een koloniale oorlog was?”

“Direct”, zegt mijn vader. “Mij was direct duidelijk dat we daar niet

zaten om de Javanen een lol te doen. Kijk, eerst moesten we daarheen om de Japanners te bevechten. Toen om onze mensen te bevrijden die nog in de kampen zaten. En uiteindelijk om orde en rust te herstellen. En dat hebben we ook wel een beetje gedaan. Als we ergens kwamen werd de boel weer op poten gezet, dan zag je zo'n kampong tot leven komen. Er werd ook meteen een burgerlijk bestuur gevestigd. Dan benoemde onze compagniescommandant een loerah, burgemeester, een bauw, politieman, en een tjarik, secretaris - dat moest iemand zijn die kon lezen en schrijven. Maar door aanhangers van de Republiek werden die mensen als verraders beschouwd. Dat heeft er veel het leven gekost.''

“Vanuit mijn politieke achtergrond”, zegt hij, “was ik geneigd contact te zoeken met de gewone man. Ik ging graag bij inlanders langs om een praatje te maken. Maar je bracht die mensen in levensgevaar. Dus bleef ik altijd maar bij de stelling. Ik wou niet naar de bioscoop, ik wou niet dansen, ik deed niks met mijn verlof: ik zat altijd maar bij de

stelling.''

“Padalarang”, wijst hij. “Daar dacht ik dat ik gek werd van verlangen

naar huis. Nou ja, dacht ik, zolang je dénkt dat je gek wordt, ben je het nog niet.''

“In '47”, zegt hij, “na de eerste politionele actie, was Java van ons. Maar '46 was ontstellend eentonig en frustrerend, in feite hebben we dat hele jaar opgesloten gezeten tussen de demarcatielijnen.”

Dan brengt het gedenkboek ons bij de jongens die daarginds gebleven zijn. Mijn vader bekijkt de foto's, mompelt namen en data: Van Dijk, ongeval te Ipoh 22-2-1946, Duyker, gesneuveld bij Babadjati 23-4-1946, Wilmink, gesneuveld bij Tjitjaheum 30-4-1946... Ja, méér in '46 dan in de jaren daarna, en dat verwonderde hem, dat had hij zo niet gedacht.

Het zou tot juli '48 duren voordat hij terug was in Nederland. Ze werden

in Rotterdam op een bus gezet en door het hele land thuis afgeleverd. Mijn vader in Velp. De kille villa aan de IJsselstraat.

“Kende u dat huis?”

“Ik kende het wel, maar ik had er natuurlijk nooit gewoond.”

“En u was bang in het donker?”

“Dat geloof ik niet hoor.”

“U sliep met het licht aan.”

“Omdat we dat zo gewend waren! Op Java...later waren de kampongs altijd

leeg als wij arriveerden. Dan nam je zo'n hut in beslag. Je zette een stretcher op en bracht je klamboe in orde, en er bleef altijd licht branden. Ik had al die tijd geslapen bij het gestamp van een zwakstroom-aggregaat.''

“Ik zou het mooier vinden als u bang was”, zeg ik.

“Maar dat geloof ik niet hoor”, zegt mijn vader, en bij dit dialoogje luistert mijn moeder oplettend mee, alsof ook zij nog wat nieuws te horen krijgt.

In september van dat jaar verhuisden we naar Rheden. Ik herinner me de laadruimte van een bestelwagentje, dat de deur werd dichtgedaan, dat het

daarbinnen bijna donker werd - ja, dat is, uit díe periode, in feite het enige wat ik me van Velp herinner. Dat we er weggingen.