IN ZWEDEN BEGRIJPEN ZE TAKE

TAKE WAS als klein kind een grote druktemaker, op het hyperactieve af. Maar hij was ook slim en vanaf zijn vierde sprak hij een soort professoren-taaltje, compleet met woorden die absoluut niet pasten bij zijn leeftijd. In de kleuterklas van de dorpsschool in Twente viel hij meteen al buiten de boot, want iets met andere kinderen samen doen lukte

hem niet. Achteraf bezien bleek dit het begin te zijn van een tamelijke rampzalige schoolcarrière.

“Hij was ons eerste kind”, zegt Annemarie Knol, de moeder van Take. “We hadden niet zoveel vergelijkingsmateriaal.” Ze wil graag vertellen hoe ze met haar zoon heeft getobd, want een half jaar geleden werd het syndroom van Asperger bij de nu 23-jarige Take vastgesteld. Dat

verklaart met terugwerkende kracht een hoop van zijn vaak onbegrijpelijke gedrag. In de Engelstalige landen en in Zweden wordt het

syndroom, dat in 1944 door de Zwitser Hans Asperger werd beschreven als hoogfunctionerend autisme, veel vaker gediagnostiseerd dan in Nederland,

waar de deskundigen er nog nauwelijks van gehoord lijken te hebben.

Wetenschappers zijn het erover eens dat het Asperger-syndroom gerekend kan worden tot de autisme-familie en vooral afwijkt op het gebied van taalvaardigheid en de schijnbare wens toch met anderen te communiceren en tot een groep te behoren. Ook zouden Asperger-kinderen meer problemen

hebben met hun motoriek dan 'gewone' autistische kinderen. Bij IQ-testen

kunnen ze op sommige onderdelen extreem hoog en op andere onderdelen extreem laag scoren, zodat ze soms de indruk wekken hoogbegaafd te zijn.

De laatste jaren wordt er druk gediscussieerd over de vraag of het hier om een aparte groep kinderen gaat of dat het 'gewone' autisten zijn, die

sociaal en communicatief wat capabeler zijn en hun intelligentie kunnen aanwenden om compenserend gedrag aan te leren.

Veel van wat Annemarie Knol inmiddels over het Asperger-syndroom heeft gelezen blijkt van toepassing op haar zoon. Ze richt zich daarbij vooral

op de Zweedse literatuur van de Asperger-deskundige bij uitstek, Christophor Gillberg. Gillberg is als kinderpsychiater verbonden aan de universiteit van Götenborg. Zweden kent vier centra die zich in het

Asperger-syndroom hebben gespecialiseerd, één daarvan is gevestigd in het ziekenhuis van de midden-Zweedse stad Ostersund. Daar ook kwam zoon Take terecht toen hij in het voorjaar van 1997 na diverse baantjes in de Zweedse horeca instortte. “Hij werd een week opgenomen, aanvankelijk omdat men dacht dat hij depressief was”, vertelt Annemarie

Knol. “Na onderzoek stelde de psychiater echter vast dat Take leed aan het syndroom van Asperger. Take belde bijna juichend op naar huis, eindelijk wist hij wat hij had. In Zweden bestaan allerlei vormen van hulp om mensen met dit syndroom te adviseren en te begeleiden.”

De horeca met zijn druktepieken bleek geen geschikte werkplek voor hem te zijn. Via het arbeidsbureau werd geregeld dat hij toelatingsexamen kon doen voor de Hogeschool van Ostersund. Hij slaagde glansrijk en ging

systeem-wetenschappen studeren. Omdat hij niet in staat is om tijdens colleges tegelijk te luisteren en aantekeningen te maken, kreeg hij de hulp van een medestudent aangeboden, die de dictaten voor hem bijhoudt en daarvoor van de staat een vergoeding ontvangt. Elke week komt er iemand bij Take langs om te kijken of hij de chaos die zijn leven soms is de baas kan blijven.

Maar ook voor de ouders Knol is er opluchting, want ze wisten dat er iets met hun zoon aan de hand moest zijn. Hulpverleners bij wie ze zich met Take in de loop van zijn jeugd meldden, hadden echter altijd geroepen dat het ongrijpbare gedrag van hun zoon de resultante van hun opvoeding was. De trammelant begon al op de kleuterschool toen Take zich

tegen alles verzette wat met groepswerk te maken had. Hij viel bovendien

op door zijn pedante taalgebruik en z'n gestoorde motoriek. Hij ging naar een andere kleuterschool. “Het ingewikkelde was dat het soms bij een flexibele leerkracht ook wel weer beter ging”, vertelt moeder Knol.

Op een ander moment werd haar door een meester toegesnauwd dat haar zoon

een misdadiger in de dop was. In groep vijf van de éénklassige dorpsschool ging het leren zo moeizaam en werd

Take zo gepest, dat de ouders besloten de hulp van de schoolbegeleidingsdienst in te roepen. Over de testen kregen ze 'niets dan vaagheden' te horen en vervolgens werden ze zelf aangeklaagd.

In groep acht meldden ze Take bij de RIAGG aan. “Uit voorzorg”, zegt Annemarie Knol, “omdat we voorzagen dat hij op de middelbare school grote problemen zou krijgen”. Take kon eindeloos en vrij monotoon over één onderwerp doorpraten waarin hij zich helemaal had vastgebeten. Gewoon met leeftijdgenootjes over ditjes en datjes praten, lukte hem slecht. Daarnaast reageerde hij nauwelijks op lichaamstaal en hints van anderen, hij begreep hun non-verbale boodschappen niet. Z'n ouders vonden hem altijd behoorlijk egocentrisch.

Bij de RIAGG werd Take wederom uitgebreid getest, maar een rapport kregen zijn ouders nooit in handen. “We moesten van de RIAGG in gezinstherapie, want het lag aan ons. Bij een goedwillende maatschappelijk werker moesten we samen een huis tekenen. We hadden er niets aan, want de problemen die we met Take in ons gezin hadden, waren altijd afgeleid van school.” Hij kreeg een VWO-advies en ging naar een middelbare school in de buurt. In de eerste klas liep het nog aardig, Take probeerde uit alle macht bij de groep te horen, maar in de tweede klas ging het mis. Hij kreeg grote moeilijkheden met de spelling, ook de

Nederlandse spelling, en men dacht aan dyslexie. Er werd hulp gezocht op

de Universiteit van Nijmegen, waar Take voor de zoveelste keer werd getest. Hier kwamen de extremen in zijn IQ naar voren: op zeven onderdelen scoorde Take boven de 140, op drie onderdelen tussen de 70 en

75. Toch vonden de deskundigen in Nijmegen nog steeds niet dat er zoveel

aan de hand was. Hij kon met wat extra begeleiding wel bijgespijkerd worden. Het hielp niet.

“Het is toch raar dat ze op de Universteit van Nijmegen in 1986 nog niet op de hoogte waren van dit zo typerende beeld van Asperger-kinderen”, constateert Annemarie Knol achteraf. De middelbare school werd een drama. Van drie VWO ging hij naar vier Havo waar hij op een bepaald moment geen enkele voldoende meer haalde. Hij verduisterde rapporten, spijbelde en wilde op het laatst helemaal niet meer naar school. Hij ging op kamers wonen en haalde uiteindelijk zijn Havo-diploma op het avondcollege. Daarna deed hij de drie-jarige opleiding tot kelner in één jaar en ging in de horeca werken. Eerst in Nederland, later in Zweden.

“Hij kon helemaal gebiologeerd raken door één onderwerp, waar hij eindeloos over doorpraatte”, vertelt Takes moeder, verwijzend naar een trekje dat kenmerkend is voor autisten. “Op de basisschool wist hij alles van elektronica en het milieu, tijdens zijn kelneropleiding werd hij wijn-specialist, in Zweden ontrafelde hij het belastingstelsel en nu weet hij alles van het Asperger-syndroom.”