Het inkomen van.... de orkestmusicus

Een beroep waarvan de opleiding eigenlijk nooit ophoudt en vaak al op zeer jonge leeftijd begint, een enorm aanpassingsvermogen vereist van

de beoefenaar en zich altijd afspeelt op tijden waarop anderen vrij zijn, dat moet wel een goede betaling tot gevolg hebben. Maar de orkestmusicus, want over die beroepsgroep gaat het, denkt daar heel anders over. Het inkomen staat in geen verhouding tot de geïnvesteerde tijd, de werkdruk is enorm hoog (dertig procent van de musici gebruikt medicijnen om de druk eronder te krijgen) en de onkostenvergoeding is verre van toereikend, stelt ook de Kunstenbond FNV.

Een muzikant bij één van de tien orkesten die onder de CAO voor Nederlandse Orkesten vallen krijgt een aanvangssalaris van 3.708 gulden per maand. De musicus heeft dan inmiddels minstens zes jaar

conservatorium achter de rug en een aanvullende opleiding tot uitvoerend

muzikant. Afhankelijk van het aantal jaren dat een musicus in dienst is kan dit oplopen tot 5.088 gulden per maand. Bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest (RPhO) en het Residentie Orkest (RO) verdienen musici meer, te weten 4.079 gulden per maand, en kunnen in 15 jaar doorgroeien naar maximaal 5.598 gulden per maand. Gezien het kwalitatief

hoogstaande karakter van het Koninklijk Concertgebouw Orkest (KCO) liggen de lonen hoger dan in de CAO is afgesproken. Hoeveel hoger wil men niet zeggen.

Daarnaast bestaat er een toeslagensysteem dat gelieerd is aan de functie

die een muzikant binnen het orkest vervult. In de B-categorie (een toelage van 533 gulden per maand) zitten onder meer de tweede concertmeester, de eerste blazers en de aanvoerders van altviolen, tweede violen, cello's en bassen. In de B-categorie (254 gulden extra per maand) zitten de plaatsvervangers van de in categorie B genoemde musici. Ook voor het bespelen van een bij-instrument is een aparte toelage beschikbaar. Net als bij het loon liggen de bedragen voor het RPhO, het RO en het KCO hoger dan bij de overige acht orkesten.

Het is daarnaast mogelijk om, door prestatieverbeteringen en functieveranderingen, in andere, hogere schalen terecht te komen. De baan van eerste violist wordt nu eenmaal beter betaald dan die van tweede hoboïst.

In de huidige CAO, die tot 1 april 1998 loopt, is over een periode van 15 maanden een loonsverhoging van 2,5 procent bedongen. Nog niet eens genoeg om de inflatie te corrigeren, zo blijkt. Reiskosten worden over het algemeen vergoed, maar naast de 'verplichte' 25 uur die een musicus op het podium en met repetities bezig hoort te zijn komt er nog veel meer kijken bij het beroep van professionele muzikant.

Aan kosten voor onderhoud aan de instrumenten bijvoorbeeld is een gemiddelde hoboïst zo'n duizend gulden per jaar aan riet kwijt, om nog maar te zwijgen over de violisten, die ieder jaar een burgermansfortuin kwijt zijn aan snaren en kleine onderhoudsreparaties aan hun instrumenten. Geen wonder dat veel musici lessen geven op conservatoria en aan particulieren om wat bij te verdienen.

Van het totale budget van een orkest gaat nu zo'n zeventig tot tachtig procent op aan personeelskosten. De rest wordt onder meer besteed aan het inhuren van internationale dirigenten en solisten van naam. “De prijzen van die toppers rijzen echt de pan uit. Een befaamd dirigent draait zijn hand niet om voor een honorarium van dertig tot veertigduizend gulden per week”, aldus de woordvoerder van de Kunstenbond.

Een woordvoerder van werkgeversvereniging Contactorgaan Nederlandse Orkesten (CNO) erkent dat een deel van het budget opgaat aan de salarissen van de toppers, maar meent dat de bonden “de positieve uitstraling van bekende dirigenten en solisten niet uit het oog moeten verliezen”. Niet alleen voor het publiek en de reputatie van het orkest

is het goed om af en toe een 'grootheid' in te huren, de musici komen ook tot betere prestaties, meent CNO.

Een andere oorzaak van de “beroerde betaling” ligt volgens de bond in de waardering van het 'product Kunst' en het feit dat de overheid verantwoordelijk is voor de financiering van orkesten. De werkgevers roepen al jaren tegen de vakbonden dat ze wel meer wíllen betalen, maar dat ze dat niet kunnen. “De hoogte van de subsidies van de overheid bepaalt hoe veel wij de musici kunnen betalen”, aldus een woordvoeder van CNO.

Het probleem zit hem volgens Peter de Wit, violist bij het Radio Kamerorkest, niet alleen bij de onwil van de werkgevers. “Het werkt bij

de vrije beroepen heel paradoxaal”, stelt hij. “Aan de ene kant zegt de overheid er een eer van te maken het culturele pijl in Nederland op een acceptabel niveau te willen houden. Maar zo gauw als er door de orkesten geroepen wordt om meer geld, onder meer voor een betere betaling voor de musici, dan moet je bijna vrezen voor het voortbestaan van je orkest; dan wordt er gedreigd met fusies”, aldus De Wit. De CNO-woordvoerder bevestigt dit desgevraagd.

Internationaal is de concurrentie groot en er is maar een heel kleine groep profmusici die daadwerkelijk een baan vinden bij een een van de Nederlandse of internationale toporkesten. De Wit:“ In mijn orkest bestaat bijvoorbeeld de helft van de strijkers uit buitenlandse musici.”

De bond heeft zich de afgelopen jaren ook hard gemaakt voor een billijke

betaling van het gebruik van orkestopnamen op radio en TV. De vijf radio-orkesten, die een eigen omroep-CAO hebben, krijgen een vaste vergoeding van 5,5 procent bovenop hun overigens identieke loon. De Kunstenbond wil dat de afzonderlijke muzikanten van de tien overige orkesten ook een deel van de uitzendrechten ontvangen. De werkgevers hebben echter een andere kijk op het woord 'billijk' dan de bonden, zo blijkt.

Aanvangssalaris RPhO en RO: 4.079 (5.343)

Aanvangssalaris overigen: 3.708 (4.858)

Eindsalaris RPhO en RO: 5.598 (6.862)

Eindsalaris overigen: 5.088 (6.238)

Vooropleiding: Conservatorium (HBO) docerend + uitvoerend musicus

Aantal musici onder CAO: ± 1.000 (excl. 5 radio-ork.)

Salarissen in guldens bruto per maand per 1 oktober 1997

Bedragen tussen () zijn inclusief toeslagen