Het IMF verdient krediet ondanks kritiek

Het Internationale Monetaire Fonds (IMF) staat bloot aan kritiek. Het zou met verouderde recepten de financiële crisis in onder meer Azië te lijf gaan. Toch blijft het IMF volgens Roel Janssen de enige organisatie die in staat is op wereldschaal toezicht uit te oefenen.

De brandweerauto van de internationale economische orde staat in vuur en vlam. Het Internationale Monetaire Fonds, de bank van lening voor landen in financiële problemen, heeft de volle laag gekregen naar aanleiding van zijn optreden in de Aziatische crisis. Vooral in de Verenigde Staten krijgt het IMF er van langs. Dat is van politiek belang, omdat het Congres binnenkort goedkeuring moet verlenen aan een Amerikaanse bijdrage aan het IMF van ruim achttien miljard dollar die vorig jaar al een keer is afgewezen.

De regering-Clinton is wanhopig aan het lobbyen om de benodigde stemmen in het Congres bij elkaar te sprokkelen. Dat is des te lastiger omdat conservatieve Congresleden de financiële bijdrage aan het IMF (en de Verenigde Naties) gekoppeld hebben aan hun verzet tegen abortus en geboortebeperking.

Het IMF bijt ondertussen van zich af. Met interviews en ingezonden stukken probeert IMF-directeur Michel Camdessus zijn gelijk te halen. Het resultaat is dat een open discussie over de rol en het beleid van het IMF op gang is gekomen. Op deze schaal is dat zelden eerder gebeurd.

De kritiek komt van links en rechts. In de Verenigde Staten wil dat zeggen: een allegaartje van tegenstrijdige standpunten. De vakbondsvleugel van de Democraten vindt dat het IMF met zijn devaluaties

(waardoor Aziatische exportproducten goedkoper worden) banen vernietigt in de Verenigde Staten. Een behoudend deel van de Republikeinen vindt dat de Verenigde Staten zich niet moeten inlaten met multilaterale organisaties. Het gevoel dat 'belastinggeld' verspild wordt als het naar

regimes in de Derde wereld gaat, leeft in het hele Amerikaanse politieke

spectrum. Het IMF wordt er van beschuldigd autoritaire regimes te steunen die de mensenrechten schenden. Tenslotte bestaat in Amerika een krachtige stroming die van mening is dat overheidsgeld niet gebruikt moet worden om de risico's van de particuliere sector op te vangen. Links maakt bezwaar dat het IMF 'de bankiers van Wall street' uitkoopt en rechts vindt dat de markt aan zijn lot moet worden overgelaten.

Deze bezwaren tegen het IMF zijn niet nieuw. De VS kennen een lange traditie van protectionisme, isolationisme en populisme.

Nieuw is dat het IMF ook bij spraakmakende economen heeft afgedaan. Zo zei de economische analist David Hale van het financiële conglomeraat Kemper-Zürich twee weken geleden op het World Economic

Forum in Davos: “De vraag is of het IMF over de deskundigheid en de gevoeligheid beschikt om de uitzonderlijke uitdagingen van de Oost-Aziatische crisis aan te kunnen.” Volgens Hale heeft het IMF onvoldoende oog gehad voor de omvang van de dollarschulden van het particuliere bedrijfsleven in Azië. Daarop waren de hulpprogramma's

van het IMF aanvankelijk niet toegesneden.

Piet Korteweg, de bestuursvoorzitter van de Robeco Groep, was begin jaren tachtig als thesaurier-generaal nauw betrokken bij de schuldencrisis van Latijns-Amerika. Het ging toen om overheden die buitenlandse schulden waren aangegaan en de geleende dollars uitgaven aan consumptieve bestedingen. In Latijns-Amerika was sprake van overconsumptie en het IMF-recept hiervoor bestond uit bezuinigingen.

In Azië, aldus Korteweg, is sprake van een 'overinvesteringscrisis'. De economische gevolgen daarvan zijn op korte termijn ernstiger, en de oplossingen moeilijker. Als investeringen plotseling wegvallen, raakt een hele economie ontwricht.

Veel investeringen hadden betrekking op opzichtigeonroerend-goedprojecten, gefinancierd met kortlopende dollarleningen. Door ontbrekend lokaal banktoezicht, in een sfeer van politieke en zakelijke belangenverstrengeling, verdwenen steeds grotere bedragen in de bodemloze bouwput van megalomane projecten. Larry Summers, de Amerikaanse onderminister van internationale financiën en één van de architecten van de reddingsoperaties, sprak daarom in Davos van conspicuous construction (in de jaren twintig introduceerde de econoom Thorstein Veblen voor de VS het begrip conspicuous consumption).

Zolang het goed ging met de Aziatische 'tijgers' werden deze economische

tekortkomingen toegedekt. Ze kwamen vorige zomer aan het licht toen één van de fundamenten van het succes, de koppeling van de

munten aan de dollar, begon te wankelen. Toen werden ook andere structurele zwakheden van het Aziatische model zichtbaar, variërend

van autoritair bestuur (Indonesië) tot politieke corruptie (Zuid-Korea, Thailand).

Voor deze interne tekortkomingen hebben critici van het IMF geen oog. Jeffrey Sachs, de Harvard-hoogleraar internationale economie, gaf tijdens het World Economic Forum bijvoorbeeld een lunch-college waarin hij het IMF met zoveel woorden voor de Azië-crisis verantwoordelijk

stelde. “Het IMF heeft een uitzonderlijk negatieve rol gespeeld in deze

crisis.''

Volgens Sachs, die optreedt als adviseur van landen-in-nood, had het IMF

de problemen niet zien aankomen. Vorig jaar schreef het IMF nog positief

over de groeikansen van de Aziatische landen. Naar zijn mening heeft het

IMF de boel nodeloos erger gemaakt door in Thailand, Zuid-Korea en Indonesië te eisen dat een aantal banken gesloten werd. “Dat is alsof iemand 'brand' roept in een theater, terwijl iedereen zich naar de

uitgang dringt'', zei hij.

Ook al waren deze banken corrupt en technisch bankroet, het was een oproep voor een run op de banken. Met als gevolg dat de paniek verergerde. Zodra het IMF een akkoord tekende, kelderden de munten van de getroffen landen in koers. Dat was natuurlijk niet de bedoelingen van

de tientallen miljarden dollars waarmee het IMF de crisis-landen probeerde op te lappen.

Sinds eind vorig jaar gaan discussies onder economen over de vraag of de

recessie in Azië de wereld in een deflatoire spiraal van overaanbod

van goederen en dalende prijzen zal meetrekken. Deze deflatievrees is al

weer geweken. Maar de eisen om begrotingstekorten terug te dringen en rentetarieven te verhogen, zijn door het IMF gedeeltelijk aangepast onder druk van de kritiek, onder andere van de topeconoom van de Wereldbank Joseph Stiglitz. Niet overbestedingen door de overheid, maar particuliere overinvesteringen gefinancierd door zwakke lokale banken vormen immers de oorzaak. Daarvoor zijn andere, micro-economische aanpassingen nodig.

Deze week heeft IMF-directeur Camdessus de tegenaanval gekozen. Camdessus houdt vol dat het IMF de crises wel degelijk heeft zien aankomen en achter de schermen ook heeft gewaarschuwd. Het IMF heeft zijn gebruikelijke aanbevelingen van bezuinigingen en renteverhogingen in het geval van Azië met mate heeft toegepast, maar deze maatregelen blijven noodzakelijk om het vertrouwen in de munten van deze

landen te herstellen, aldus Camdessus. En tenslotte bestrijdt hij dat het IMF geen oog zou hebben voor de moral hazard, het dilemma dat investeerders bereid zijn onverantwoorde risico's te nemen omdat ze er van uitgaan dat het IMF toch wel als vangnet zal fungeren voor het geval

een land in crisis raakt.

De internationale kredietverleners moeten wel degelijk bloeden voor de verliezen die ze op hun Aziatische portefeuilles lijden, aldus Camdessus. En: “Geen enkel land roept vrijwillig een crisis over zich af die zoveel financiële, sociale en politieke pijn veroorzaakt”, zei hij in een interview met de Financial Times.

Het dilemma waar het IMF voor staat is niettemin enorm. Bij de vorige crisis, Mexico 1994-95, kreeg het IMF het verwijt dat het te laat reageerde. Nu reageert het snel, maar krijgt het kritiek dat de programma's onvoldoende doordacht zijn. De bedragen worden steeds groter, maar in Mexico bleek uiteindelijk minder nodig dan was toegezegd. Wat zou de kritiek zijn als meer geld nodig zou zijn om verspreiding van de crisis tegen te houden? Bijvoorbeeld als het Japanse

bankwezen zou wankelen, of China en Hongkong hun munten zouden laten zweven?

Nu lijkt het IMF er in geslaagd de crisis in te dammen. Bovendien hebben

de getroffen landen ingestemd met verregaande economische en politieke hervormingen die dringend gewenst waren. Al jaren oefenden de Westerse landen, bilateraal en via internationale organisaties, druk uit op Indonesië om de subsidies op industrieprojecten stop te zetten, op Thailand om de corruptie te beperken en op Zuid-Korea om de binnenlandse

markt te openen.

Gezonde economieën in opkomende landen zijn een Westers belang. Stabiliteit in de internationale economische betrekkingen eveneens. De enige organisatie die in staat is een begin van financieel-economisch wereldtoezicht uit te oefenen, is nog altijd het IMF. In de geliberaliseerde markten is een kapitaalkrachtige organisatie onontbeerlijk die toezicht houdt, eisen kan stellen aan het overheidsbeleid en voldoende geld beschikbaar heeft als laatste vangnet.

Het Amerikaanse Congres doet er daarom goed aan om de bijdrage aan het IMF snel goed te keuren. Het zal de Westerse geloofwaardigheid in de wereldeconomie alleen maar ten goede komen.