Griekenland; Géén Amsterdamse toestanden

De Griekse minister van Justitie, Vangélis Jannópoulous, heeft onlangs in het parlement zijn verontschuldigingen aangeboden aan de zesentwintigjarige gevangene Jorgos Poursanídis, die kort daarvoor tot zes jaar was veroordeeld wegens het verkopen van 0,4 gram heroïne, zes jaar geleden.

Hij was intussen op eigen kracht afgekickt, maar dat belemmerde de rechters niet in hun oordeel dat hij nog steeds 'uiterst gevaarlijk' was. Dat velen in Griekenland, waar de gevangenisbevolking voor de helft

uit verslaafden bestaat, juist als delinquent aan de drugs komen, speelde bij hun vonnis kennelijk geen rol.

De minister heeft in deze zaak, die veel aandacht van de pers heeft gekregen, partij gekozen voor de publieke opinie en bovendien aangekondigd dat er spoedig een wet zal komen die afgekickte beklaagden vrijpleit van misdaden, die ze als verslaafde begingen. Bovendien werkt hij aan de inrichting van een omvangrijk en goed geoutilleerd centrum, zeventig kilometer ten noorden van Athene, waar verslaafde gevangenen aan therapie kunnen worden onderworpen. In het voorjaar zal dit in werking treden voor 450 patiënten.

Een en ander zou de indruk kunnen vestigen dat de minister inzake drugs een progressief standpunt inneemt. Maar waar het gaat om de aloude kwestie van al of niet juridische scheiding van hard- en softdrugs is de

zesenzeventigjarige bewindsman strikt, om niet te zeggen star, conservatief. “Ik heb in Amsterdam rondgelopen”, zei hij onlangs in het Parlement. “En de toestanden die ik daar aanschouwde, wil ik in Athene niet zien.”

Het 'Nederlandse voorbeeld' - en nu ook het Zwitserse - wordt juist door

andere Grieken aangeroepen om juist op af te sturen. Voorop de plaatsvervangende minister van Buitenlandse Zaken Jorgos Papandreou, zoon van de vorig jaar overleden premier Andreas. Hij pleit er ook voor dat personen die softdrugs willen gebruiken, die zelf in bloempotten kunnen telen. Met dit laatste is hij een gemakkelijk prooi geworden voor

al diegenen - Jannópolous voorop - die de decriminalisatie van softdrugs voorstellen als ondermijning van alles wat gezond Grieks is.

Jannópolous vindt een bondgenoot in Mariëtta Jannákou, een afgevaardigde van de rechtse oppositiepartij Nieuwe

Democratie, die hier optreedt als nationaal 'coördinator' van de drugsbestrijding. Nog slechts enkele jaren geleden bestreed zij ook het idee van methadonverstrekking, dat intussen in Athene en Thessaloniki, op bescheiden schaal maar succesvol, in praktijk wordt gebracht.

De strijd tegen de decriminalisatie van softdrugs is eveneens een achterhoedegevecht, dat echter nog jaren kan doorgaan. Het zal geen verwondering wekken als Griekenland in de volgende eeuw het laatste EU-land wordt waar soft- en harddrugs gelijkelijk streng worden vervolgd, tenzij er op korte termijn gemeenschappelijk Europees beleid wordt afgesproken.

Voorstanders van juridisch onderscheid vindt men in alle partijen - behalve vreemd genoeg de communistische, die alle drugs ziet als een ondermijningsinstrument van het kapitalisme - maar ze zijn overal in kleine minderheid en worden overschreeuwd door de broeders van de Volksgezondheid, die ook de televisiepanels overheersen en totaal doof blijven voor alle argumenten.

“Zowat elke heroïneverslaafde is met hasj begonnen”, is de steeds

terugkerende waarschuwing van Jannákou en de haren, een argument dat door de voorstanders van scheiding met veel meer recht kan worden gehanteerd: schaf de criminalisering van hasj af en de jeugd komt op die

manier niet in aanraking met de dealers in harddrugs. Tot een echte discussie komt het echter meestal niet.

Intussen zijn de cijfers in Griekenland, waar geen controle is op de kwaliteit van heroïne, onrustbarend: in tien jaar een verdriedubbeling van het aantal drugsdoden (in Nederland een halvering, dus vergrijzing). Elk sterfgeval wordt aprt op de televisie breed uitgemeten, de laatste tijd met zware achtergrondmuziek. Gevallen van hasjgebruik op scholen, in het leger en bij de politie worden op hevig gealarmeerde toon behandeld en wat de scholen betreft, kan men reeds van

een heksenjacht spreken. “Elke school moet politiebescherming krijgen”, hoort men in Griekenland meer en meer.

Naar schatting tweederde van de zwarte Griekse economie gaat op harddrugs terug. Sprekers in het parlement, ook binnen de socialistische

regeringspartij, beginnen te pleiten voor herinvoering van de doodstraf,

'speciaal voor drugshandelaars' die tot nu toe zelden werden gepakt en dan menigmaal weer werden vrijgelaten. Veel van de inspanningen van anti-narcoticabrigades worden verspild in de strijd tegen de hasj.

Over de hele linie heerst inzake het drugsprobleem in Griekenland een totale en diepgewortelde machteloosheid. Hetzelfde land waar 's avonds, in duizenden vermaakscentra, de honderden rebétikaliederen worden

gezongen, waarin de softdrugs worden opgehemeld en waarin wordt gewaarschuwd tegen heroïne en cocaïne. Waarom kent men deze liederen geen voorbeeldfunctie toe?