GEEN TIJD VOOR DE PRAATPAAL-FUNCTIE; Onderwijsinspectie vindt haar rol te beperkt

Ongeveer 150 inspecteurs voor duizenden scholen. De inspectie heeft

het druk.

DOLGRAAG WILLEN RECTOR A. van der Werf en conrector H. Kruiswijk van het Vallei College hun hart luchten. Maar het bezoek van Onderwijsinspecteur Jet ten Brinke wordt urenlang beheerst door harde gegevens. Wat is de instroom van leerlingen? De doorstroom? De uitstroom? En hoe zijn de examenresultaten, het examenreglement, de lesuitval en de verwijderingen? Vervolgens bezoekt Ten Brinke drie lessen en praat ze met de sectie Biologie. Tenslotte rest een half uur voor nabespreking. Dan pas komt het hoge woord van de schoolleiding eruit: het Vallei College lijdt. Onder een slecht imago.

Er zijn twee verhalen te vertellen over deze Amersfoortse scholengemeenschap: dat van de onderwijsgegevens en dat van de werkelijkheid. De gegevens die Ten Brinke met de schoolleiding bespreekt, vertellen een mooi verhaal - de afstroom van 3 VWO naar 4 Havo is vorig jaar verminderd, de hoogste klassen van het VWO zijn vol, steeds minder Mavo-leerlingen doubleren en er zijn relatief weinig leerlingen geschorst.

De werkelijkheid, poogt de schoolleiding uit te leggen, laat iets anders

zien. Deze vestiging met Mavo, Havo en VWO loopt leeg, sinds een fusie vijf jaar geleden. De leerlingpopulatie is gekrompen van 1.000 leerlingen tot 780. Oorzaak is de toevoeging door het bestuur van een VBO-vestiging, met 300 leerlingen, van wie 80 procent allochtoon is. Het

hele Vallei College staat nu regionaal te boek als een 'zwarte school', waardoor witte leerlingen wegblijven. Eén kop in de lokale krant:

'Vallei College in vrije val', heeft de neerwaartse spiraal versterkt. “We krijgen steeds meer zorgleerlingen”, verzucht Van der Werf. De school zit met de handen in het haar.

Veel tijd heeft Ten Brinke niet voor de zorgen van de schoolleiding, er is ook zo veel te bespreken. “Ik kan mijn werk wel aan, maar er blijft weinig tijd over voor de praatpaal-functie”, zegt ze na afloop.

De inspectietop is evenmin blij met de huidige wijze van inspecteren, zo

blijkt op het hoofdkantoor in Utrecht. De nieuwe inspecteur-generaal dr.

F. Mertens, wil dat de Inspectie minder energie besteedt aan onderzoek naar kwantitatieve 'aspecten' die uiteindelijk slechts een gemiddelde stand van het onderwijs opleveren, zoals: '75 procent van de basisscholen is goed in begrijpend lezen'. Mertens: “Burgers willen weten hoe afzonderlijke scholen het doen. Dus wij moeten dat onderzoeken.”

QUICK SCAN

Hij wil hiertoe elke school jaarlijks onderwerpen aan een “intelligente

quick scan”: één bezoek, ondersteund door gegevens, waaruit moet blijken hoe die school vaart. Bij scholen die 'zorgelijk' blijken wegens problemen of onderprestatie, moet een team van enkele inspecteurs vervolgens een 'diepte-onderzoek' doen, van een paar dagen. “Het kan niet zo zijn dat ouders protesteren over slecht onderwijs en dat een school lange tijd onderpresteert, zonder dat de Inspectie dat heeft opgemerkt”, vindt Mertens.

De Inspectie is de afgelopen paar jaar niet gegroeid. Al jaren houden 32

inspecteurs voor het voortgezet onderwijs (710 scholen met twee keer zoveel vestigingen), 94 voor het basisonderwijs (8.000 scholen), 20 voor

het beroepsonderwijs (362 scholen) en 11 voor het hoger onderwijs (67 hogescholen en 15 universiteiten), de gegevens bij van de scholen. De Inspectie is de enige instantie die de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs controleert. De inspecteurs brengen verslag uit aan de minister van Onderwijs en aan de scholen zelf.

Het aantal te registreren gegevens neemt voortdurend toe. Zo is er tegenwoordig een hele reeks protocollen die de school juridisch moeten beschermen tijdens eventuele rechtszaken die ouders kunnen aanspannen. Is het duidelijk wie in de commissie van beroep zitten? Waaraan besteedt

de school de financiële ouderbijdrage? Is de handtekening onder een

schorsing wel steevast namens het bevoegd gezag? Ook moet de inspecteur per school de instroom (het aantal eersteklassers), de doorstroom (zittenblijvers en verplaatsing van bijvoorbeeld Havo naar Mavo), de uitstroom (diploma's), de examenresultaten en het aantal allochtonen bijhouden.

Gegevens zijn nuttig voor het inzicht van een inspecteur, maar verraderlijk, erkent Mertens. Het Vallei College zou op grond van de onderwijsgegevens niet in de categorie 'zorgelijk' belanden. Maar op basis van het imago, de daardoor teruglopende en veranderende leerlingenpopulatie en de gevolgen die de school daarvan verwacht voor de schoolprestaties, mogelijk wel. De vraag is of de Inspectie de mankracht en dus de tijd heeft om door de gegevens heen te prikken. De Inspectie, zegt Mertens, “woekert met schaarste”.

Neem de werkweek van Ten Brinke. Ze moet toezicht houden op twintig middelbare scholen in de regio Utrecht, met in totaal zo'n veertig vestigingen. In de veertig werkweken die een inspecteur heeft, moet zij gemiddeld één schoolbezoek per week afleggen. Van te voren

neemt ze alle mogelijke informatie over die school door, achteraf maakt ze een verslag en verwerkt ze nieuwe gegevens, bijgestaan door een medewerker. Daarnaast werkt ze mee aan brede onderzoeken naar bijvoorbeeld de invoering van de basisvorming. “Die nemen meer dagen in

beslag, omdat er intensief, op heel veel scholen wordt gekeken naar de gevolgen van een onderwijsvernieuwing'', zegt Ten Brinke. Verder zijn er

de incidentele schoolbezoeken, naar aanleiding van een klacht van ouders

of andere problemen.

Inspecteur-generaal Mertens heeft er wat op bedacht. Naar Engels voorbeeld denkt hij erover externe medewerkers aan te trekken die op contract-basis scholen inspecteren. Nieuwe inspecteurs in dienst nemen, is duur omdat inspecteurs als ervaren ex-leraren en oud-schoolhoofden gemiddeld in schaal 14 zitten. De Inspectie kost jaarlijks al 63 miljoen

gulden. Voor de 'toegevoegde inspecteurs', zoals Mertens ze noemt, denkt

hij aan “deskundigen van de schoolbegeleidingsdiensten of uit het bedrijfsleven. En er moet ook een leek bij zitten, die de elementaire vragen stelt”, vindt hij. Ze zouden wel allemaal een opleiding bij de Inspectie moeten volgen én dezelfde werkwijze moeten hanteren als

inspecteurs.

Inspecteren - ofwel het organisatorische, didactische, pedagogische en sociale reilen en zeilen van een school doorgronden - is niet eenvoudig.

De leegloop van het Vallei College is bijvoorbeeld geen gevolg van de kwaliteit van de school, maar van een fusie en sociale ontwikkelingen. Zowel het pedagogische klimaat op de school als de onderwijsresultaten zijn goed. “We hebben hier nooit conflicten, we luisteren graag en praten alles uit”, zegt rector Van der Werf. Eén bewijs hiervoor

is het geringe aantal schorsingen en verwijderingen. Op vrijdagmiddag kunnen leerlingen bovendien sporten, toneel spelen en koken. In de landelijke ranglijst van Trouw - die op grond van gegevens van de Inspectie was opgesteld - kregen de afdelingen Havo en VWO het rapportcijfer acht en de Mavo een zes.

MEER PROBLEMEN

De leegloop veroorzaakt steeds meer problemen, zegt Van der Werf. Neem de zeven 'verdwenen' leerlingen van de eersteklas Mavo. Waar zijn die heen? vraagt Ten Brinke 's ochtends, ze zijn immers niet terug te vinden

in de leerlingenaantallen van het VBO. Dat is juist, antwoordt Kruiswijk, ze zijn vertrokken naar de agrarische school (ook VBO) in een

naburig dorp, want daar zitten tenminste alleen maar blanke leerlingen. Ook de toekomst van het VWO baart hun zorgen. Van der Werf: “Nu zijn de

hoogste klassen van het VWO nog vol, maar als we het niveau van de huidige brugklassers bekijken, zijn we somber.''

Buit dan ook uw goede resultaten uit, om goede leerlingen te trekken, adviseert Inspecteur Ten Brinke tijdens de korte evaluatie 's middags. Breng ze onder de aandacht in het jaarverslag. Maar ga in elk geval niet

bij de pakken neerzitten, waarschuwt ze, want zelfs de leerlingen vertellen haar dat de school leegloopt. “Het is geen goed teken dat leerlingen dat zeggen. De school moet trots zijn.”

Juist de imago-problemen tonen een belangrijke zwakte van het Vallei College, erkent Van der Werf, die steeds bepalender is in het voortgezet

onderwijs: het pr-beleid. “Wij hebben onze prestaties altijd gerelativeerd, we vonden het niet nodig om op de trom te slaan. Maar nu zien we een collega-school goede sier maken met nieuwbouw die ze uit 2,5

miljoen gulden eigen middelen bekostigt! Dat geld hebben wij niet. We zijn wel koploper op het gebied van internationalisering - er lopen vandaag 200 leerlingen uit allerlei landen hier op school rond - maar wij hebben dat nooit ingezet als pr-middel.” Aarzelend voegt hij eraan toe: “Misschien lukt het in de toekomst om er een trekpleister van te maken.”

LUMP SUM

Middelbare scholen zijn sinds 1996 financieel zelfstandig en krijgen jaarlijks ongeveer 8.700 gulden per leerling. Ze zijn vrij om hun zogeheten lump sum te besteden zoals ze willen. Voor rectoren die goede bedrijfsmanagers blijken te zijn, is deze vrijheid een zegen. Voor rectoren die goede leraren zijn, zoals Van der Werf, maar die een andere

visie hebben op profilering en pr, kan de lump sum rampzalig uitpakken: wie te weinig leerlingen trekt, krijgt steeds minder geld van het ministerie van Onderwijs. Ook als het onderwijs goed is.

Ogenschijnlijk tegen de geest van deze lang bevochten vrijheid in, pleit

Inspecteur-generaal Mertens ervoor dat de Inspectie kan ingrijpen als scholen financieel of organisatorisch tekort schieten. “Naar analogie van de 'zorgelijkheidsverklaring' in het hoger onderwijs, zou de Inspectie een soort artikel-12-status voor scholen moeten kunnen uitroepen. We zullen nooit a priori zeggen hoe een school haar geld moet

besteden, maar als de kwaliteit van het onderwijs lijdt onder verkeerde financiële beslissingen, dan moeten wij kunnen ingrijpen. Bijvoorbeeld als een schoolhoofd zieke leraren niet vervangt.''

Zijn pleidooi botst niet met de autonomie van scholen, zegt Mertens. “Eigenlijk had de mogelijkheid om dergelijke maatregelen te nemen, meteen moeten worden geregeld bij de invoering van de lump sum.”