Enge-dingenweek

ONHEILSVOORSPELLINGEN horen bij het 'fin de siècle', dat weet een kind, en dus zeker bij het eind van een millennium. Maar de afgelopen week ging het wel heel hard. Ten minste drie onheilspellende ontwikkelingen vlak boven op elkaar, elk reëler en bedreigender dan

de ergste spinsels van de oude Nostradamus.

Eén: de afluisterpraktijken van de Amerikaanse National Security Agency (NSA). Twee: het bericht dat providers failliet dreigen te gaan aan de tap- en gluurvoorzieningen die ze ten gerieve van justitie moeten aanleggen. Drie: de klantenkaart van Albert Heijn.

Het zijn alle drie voorbeelden van de duisterste zijde van de digitale technologie: de inzet van computers voor het volgen, beheersen en sturen

van het gedrag van individuen. Zulke activiteiten liggen per definitie moeilijk in een samenleving als de onze, die pretendeert geschoeid te zijn op respect voor het individu en zijn vrijheden, en op gelijkheid van allen voor de wet. Aan een minimum aan gedwongen gedragsbeïnvloeding ontkom je niet, dat heet wet en recht, maar je knabbelt daarmee wel onvermijdelijk aan de rechten en vrijheden van het individu. Het is een delicaat evenwicht.

Lastig is dat de digitale gluur- en hamsterpraktijken niet het werk zijn

van perverse samenzweerders of would-be-wereldheersers. Het gebeurt niet

door schurkachtige Lupardi's, Sickbocks en Blofelds, maar juist met de beste bedoelingen. De NSA beschermt naar beste eer en geweten de belangen van het 'vrije' Amerika, tegen de bedreiging die de rest van de

wereld in zijn ogen vormt. Justitie in Nederland jaagt providers op kosten uit het nobele motief Nederland van gespuis te schonen. En Albert

Heijn ziet zijn handelwijze ongetwijfeld als een 'win-win'-situatie: de klant heeft voordeel van persoonlijke aanbiedingen, en daardoor kan Albert Heijn weer meer aan die klant verdienen. Geen gezeik, iedereen rijk, zoals de heren Jacobse en Van Es tien jaar geleden al namens hun Tegenpartij riepen, en AH zegt het hen na. Maar wat is er dan allemaal zo eng aan, en zo bijzonder? Wat is er tegen om de werkelijkheid vast te

leggen, en van die gegevens vervolgens gebruik te maken om een betere, veiliger, goedkopere wereld te maken, waarin het voor ons allemaal prettiger toeven is? Twee dingen.

Ten eerste is er de veronderstelling dat al die grootschalig opgeslagen gegevens echt iets te betekenen hebben. Dat ze de werkelijkheid weergeven en doorzichtig maken. Die veronderstelling deugt van geen kanten. Om te beginnen verandert de werkelijkheid, maar veranderen opgeslagen gegevens niet automatisch mee. Dat is precies de zwakke stee van elk archief en zeker van elektronische: databestanden vervuilen en verouderen in hoog tempo. De praktijk leert dat het bijhouden ervan nauwelijks lukt. Denk maar even aan uw eigen backup-discipline, of aan de sprookjeswereld op de schijven van de grootstedelijke huisvestingsadministraties. Tegelijk hebben zulke databestanden wel de magische autoriteit van 'zwart op wit' staan. De neiging is groot om zulke gegevens als echter te beschouwen dan de morsige, vlottende werkelijkheid. Daarbij komt dat bewerkingen op grote gegevensbanken, wat

in moderne termen data-mining heet, statistische gegevens opleveren. Ze zeggen iets over karakteristieken van groepen. Maar uiteindelijk is het juist de bedoeling om individuen te volgen en te benaderen, en daarover zeggen die gegevens feitelijk niets. Je kunt bijvoorbeeld aan de hand van postcodes iets zeggen over het inkomen van de gemiddelde bewoner van

de desbetreffende buurt. Maar dat zegt helemaal niets over het inkomen van een toevallig in die buurt wonende meneer Jansen. Statistiek gaat over waarschijnlijkheden. Individuen bezitten geen waarschijnlijke eigenschappen. Individuen zijn absoluut. Een individu heeft nooit 2,3 kind. Een individu verdient deze maand ƒ 3452,70, en niet drieduizend tot vierduizend gulden.

Vertrouwen op grootschalige registratie van gegevens bergt dus het grote

risico in zich dat beleid gemaakt wordt, en opgelegd op basis van een beeld dat steeds verder losgezongen raakt van de werkelijkheid. En dat heeft heel nare gevolgen.

Het tweede probleem van grootschalige elektronische archivering is misschien wel de meest fundamentele verandering die de automatisering teweegbrengt: het verleden verglijdt niet meer. De genade van het vergeten verdwijnt uit het bestaan. Bijna niets van wat wij mensen zeggen en schrijven heeft eeuwigheidswaarde. Grappen, borreltafelkout, roddel, gevis, geslijm om iets gedaan te krijgen, boze uitvallen, het heeft allemaal slechts waarde op het moment zelf. Ook kan wat wij zeggen

en menen alleen juist begrepen worden in de context van dat moment. Bovendien zeggen wij vaak niet wat we echt bedoelen, maar communiceren we tussen de regels door. Opslag en graafwerk zoals de NSA en justitie voor ogen staan, zullen dan ook vooral verkeerde gegevens opleveren, met

alle schade van dien. Een beetje bommengooier vermijdt het woord 'bom' als een rabbi de naam van de allerhoogste, maar tante Marie mailt rustig

over 'een knal zo hard, het leek wel een bomaanslag'. Wat het wel oplevert, is een baaierd van gegevens over iedereen, die losgezongen uit

hun context als verdachtmaking prima werken. Ook als u zeker weet dat u niets te verbergen heeft. Het gaat niet om bewijzen van strafbare handelingen, maar om aanwijzigen dat iemand misschien niet deugt.

Stel u maar voor dat e-mail in 1970 bestond, dat u toen NVSH-lid was, en

in die tijd nog wel eens bij een discussiegroepje 'seksuele relaties binnen het gezin' gezeten hebt. Toen was dat geen probleem. Maar wie uw wellicht achteraf wat onbekookte discussiebijdrage nu opvist en op de juiste plek neerlegt, kan u meer schade doen dan Monica Lewinsky Bill Clinton, zonder enige vorm van proces. Justitie werkte bij de Hakkelaar en zijn kompanen al zo: weinig concreets, maar veel taps van gesprekken die leken te wijzen in de richting van foute boel.

Dat is het grootste gevaar van al dat gluren en graven: niet een politiestaat, maar een dossierstaat, waarin alles wat u ooit zei of lijkt bedoeld te hebben tegen u gebruikt kan en zal worden. Genadeloos.