Alle Hittitische goden; VAN GESSEL PLOOS 13.000 SPIJKERSCHRIFTTEKSTEN NA

Na langdurige inspectie van alle gepubliceerde spijkerschriftteksten heeft Ben van Gessel een lijvig werk afgeleverd met meer dan duizend namen van Hittitische goden.

'ONOMASTICON of the Hittite Pantheon', luidt de titel, die de auteur zelf omschrijft als “een beetje sjiek voor wat eigenlijk niet meer is dan een lijstje namen van goden”. Maar wel een heel lange lijst. “De Hittieten spraken niet voor niets van de Duizend goden van Hatti”, zegt Ben van Gessel (62), auteur van twee delen die tezamen meer dan elfhonderd pagina's beslaan.

Ieder lemma geeft niet alleen de naam van een god, maar ook de familierelaties, epitheta, heiligdommen, priesters, dienaren, cultussen,

attributen en feesten die bij de godheid horen. En iedere keer wordt ook

vermeld waar een en ander is terug te vinden in de bijna dertienduizend tot nu toe gepubliceerde spijkerschriftteksten. Van Gessel heeft ze allemaal, stuk voor stuk, doorgenomen. Een staaltje monnikenwerk dat eerder thuishoort in de negentiende eeuw, toen filologen nog niet keken op een levenswerkje meer of minder, dan in het artikelbundel-tijdperk van nu. Hittitologen zijn wat dat betreft in het nadeel, want hun vak bestaat pas sinds het begin van deze eeuw.

Van 1906 tot 1912 werden in het Turkse Boghazköy voor het eerst meer dan tienduizend Hittitische spijkerschrifttabletten opgegraven. Drie jaar later werd een grammatica gepubliceerd, door de Tsjech Hrozny.

Toen pas kon het onderzoek van de Hittieten werkelijk beginnen en werd hun volledige geschiedenis en betekenis bekend.

Het Indo-Europese volk vestigt zich rond 2000 v.Chr. in Anatolië, het uitgestrekte hoogland dat door het Taurusgebergte wordt gescheiden van de Syrische laagvlakte. Het is koning Hattoesilis (1650-1620) die Hattoesa (Boghazköy) tot middelpunt van het Hittitisch koninkrijk maakt en een begin maakt met de Hittitische expansie. Zijn opvolger Moersilis zorgt aan het begin van de zestiende eeuw voor het eerste hoogtepunt door Babylon in te nemen. Een interne machtstrijd maakt vervolgens tijdelijk een einde aan de Hittitische overheersing. Egyptenaren en Mittanni brengen zelfs de Hittieten op hun eigen grondgebied in Anatolië in het nauw. Dat verandert met de komst van

de grootste Hittitische vorst: Soeppiloelioema (rond 1350). Onder zijn bewind komt de hele Syrische vlakte in Hittitische handen. Na zijn dood boeten de Hittieten onder dreiging van de Assyriërs weer aan macht in. Hun rol is rond 1200 v.Chr. uitgespeeld.

Je zou kunnen zeggen dat Van Gessel door gemakzucht in de hittitologie verzeild is geraakt. Hij studeerde in de jaren vijftig en zestig klassieke talen in Amsterdam, maar van afstuderen wilde het maar niet komen, want “ik was nogal een feestnummer, er was geen kroeg die ik niet kende”. Op een gegeven moment vond ook hij het tijd worden om zijn

studie af te maken. Daarvoor moest hij nog wel een bijvak lopen. Hij nam

de studiegids ter hand en liet zijn oog vallen op Sumerische Taal en Geschiedenis. “Dat is nog een vrij jong vak, dacht ik. Daarover bestaat

nog weinig literatuur en dus ben ik vast snel klaar.” Het liep anders. Hij bleek de enige student te zijn van de dominicaan professor Van der Meer. “Ik kreeg privéles bij hem thuis. We begonnen altijd met één kopje thee, één koekje en één sigaret. Maar ik moest wel meer doen dan ik van te voren had gedacht.”

De kennismaking met het spijkerschrift beviel zo goed dat hij doorging toen Van der Meer overleed en Houwink ten Cate als opvolger werd aangesteld. Deze was hittitoloog en zo verschoof de aandacht van het Tweestromenland naar West-Azië en Anatolië. Weer was hij de enige student, en een heel ijverige. “Iedere dag zette ik spijkerschrift om in ons Latijnse schrift. Dat is de enige manier om er grip op te krijgen.” Hij somt de moeilijkheden op van het spijkerschrift lezen:

“Leestekens ontbreken en vrijwel geen enkel tablet is gaaf.” Maar het

grootste probleem is volgens Van Gessel dat zuiver Hittitisch nauwelijks

bestaat. “Iedere tekst kan uit elementen van verschillende talen bestaan. Zo zijn er Sumerische en Akkadische woorden. Verder heb je nog de keus uit het Indo-Europese Luwisch, Palaïsch en Hittitisch. In het begin van deze eeuw zijn sommigen er letterlijk gek van geworden.” Van Gessel niet. “Ik ben een puzzelaar.”

Van Gessel hield het vak bij, ook toen hij was afgestudeerd en les ging geven op het Fons Vitae Lyceum, waar hij van 1968 tot 1996 een veelbesproken rector is geweest. Hij werd de eerste voorzitter van het Hittitologen Convent van Amsterdam, “een groepje van veertien dat regelmatig bijeen komt en elkaar bij onderzoek helpt”. Wetenschappelijke publicaties schoten er echter bij in. Evenals de promotie, die hij zich begin jaren zeventig nog had voorgenomen. Het onderwerp had hij al. Wat lag voor hem als notoir feestnummer meer voor de hand dan feesten als onderwerp te kiezen. “De Hittieten - voor de goede orde, het gaat in de teksten nooit over de gewone mensen, maar altijd over de bovenlaag - beschrijven hun feesten heel minutieus en levendig. Zodat het lijkt of je er zelf bij bent. Daarom ben ik zo verkikkerd op hen.”

Hittitische feesten zijn meestal religieuze feesten voor goden. Het leek

hem daarom als voorproefje op zijn onderzoek wel handig om een lijstje godennamen bij te houden en te noteren waar ze voorkwamen. Dat deed hij eerst in de kantlijn van E. Laroche's 'Recherches sur les noms des dieux

hittites' (1946), dat al zeshonderd namen bevatte. Toen dat volgekrabbeld was, ging hij over op losse velletjes die hij in doosjes bewaarde.

Een paar jaar geleden, vlak voordat hij met de VUT zou gaan, liet hij zijn papieren eens zien, toen hij bezoek had van Theo van den Hout, bijzonder hoogleraar Hittitische en verwante Anatolische talen aan de Universiteit van Amsterdam. “Ik heb hem meteen gezegd dat hij deze gegevens moest publiceren”, herinnert Van den Hout zich. “Ze zijn van groot belang voor ons vak.” De hittitologen hadden al wel de beschikking over een naslagwerk van persoonsnamen en geografische namen,

maar een godenlijst, verreweg de grootste groep, ontbrak nog. Van den Houdt: “Ons vak is nog jong. De eerste tientallen jaren is de meeste aandacht uitgegaan naar de historie. De laatste tijd verschijnen steeds meer religieuze studies en dan komt een naslagwerk als dat van Van Gessel zeer van pas. Maar het is werk dat in deze tijd bijna niemand meer voor elkaar krijgt. Van Gessel had ongemerkt een enorm bestand opgebouwd. Dus ik heb hem aan het werk gezet en hem een computer bezorgd. Hij heeft een keer honderd pagina's gewist. Gelukkig had ik een

kopie.''

Van Gessel kroop achter de soms vervloekte computer, op de zolderkamer met uitzicht over een Abcoudse buitenwijk waar ook zijn modelspoorbaan staat. De afgelopen twee jaar maakte hij dagen van zestien uur om alle ongeveer dertienduizend bekende Hittitische teksten drie keer door te nemen op godennamen en verwante zaken. Toch is hij niet zeker van volledigheid. “Also, of course, it is not impossible that I may have overlooked a text that actually has already been published”, meldt hij in zijn voorwoord.

Laroche telde in 1946 ruim zeshonderd goden; meer dan vijftig jaar later, na ontdekkingen van nieuwe teksten, ligt het aantal bij Van Gessel boven de duizend. “Eerlijk gezegd klopt de term Hittitisch pantheon niet. De bovenlaag van de Hittieten is bij veroveringen niet als een wals over alles en iedereen heengegaan. Met respect voor wat er was, hebben ze van alles opgenomen in hun eigen cultuur. Dat geldt ook voor de goden.” Het komt erop neer dat praktisch iedere stad, elk dorp of gehucht, zelfs de kleinste leefgemeenschap zijn eigen pantheon kon hebben. “Je krijgt het idee dat bijna alles vergoddelijkt kon worden, tot aan bergen en voorouders toe.” Dat maakt het lastig om in grote lijnen een beeld van de Hittitische goden te geven. “Eén clubje valt duidelijk te onderscheiden: de Stormgod en de zonnegodin van Arinna, een van zijn vrouwen, en hun dochter Mezzulla en kleindochter Zintuhi.”

De Stormgod komt in alle teksten verreweg het meeste voor, zoals in het tweede Plaaggebed van Moersilis II. De zoon en opvolger van Soeppiloelioema vraagt de god een einde te maken aan een plaag, die volgens hem een straf van de goden is voor een verdragsschending van zijn vader. Maar zeker weten doet hij het niet. “O Stormgod van Hattoesa, mijn meester, red mij! Laten de Goden, mijn meesters, hun goddelijke leiding thans aanschouwelijk maken: íemand moet het dan toch in een droom ervaren! Laat toch duidelijk worden, waarom men zo

massaal sterft (...) Stormgod van Hattoesa, red mij! Laat toch de plaag weer uit het land Hattoesa bijeengezameld worden!'' (vert. Houwink ten Cate)

Van Gessels werk is onlangs als deel 33 verschenen in de prestigieuze serie Handbuch der Orientalistik. 1. Abteilung. Der Nahe und der Mittlere Osten van uitgeverij Brill. Van de oplage van een kleine achthonderd exemplaren zijn al tweehonderdvijftig onderweg naar de vaste

abonnees. Van Gessel ziet het al voor zich. “Iemand die nu iets wil weten over god Jan hoeft nu geen dertienduizend teksten meer door te nemen. Hij pakt gewoon Van Gessel.” Dat gebeurt in studiezalen over de hele wereld, van Nederland tot Duitsland, de Verenigde Staten en Japan, waar zelfs een van de prinsen hittitoloog is. Niet gek voor een 62-jarige debutant.