Alicia Framis slaapt bij Amsterdammers; Dromen maken met eenzame mensen

Via advertenties zocht de (Portugese) kunstenares Alicia Framis contact met eenzame Amsterdammers. In het project The Dreamkeeper gaat ze 's nachts bij hen op bezoek. “Het was af en toe best eng, maar de eerste indruk van iemand zegt al heel veel.” The Dreamkeeper vindt t/m 8 maart plaats in Bureau Amsterdam, Rozenstraat 59, Amsterdam. Di t/m zo 11-17u. Inl. (020) 4220471. Van 7/3

tot 22/3 is ook werk van Framis te zien in CBK Dordrecht, Voorstraat 180, wo t/m za 11-17u, do tot 21u.

AMSTERDAM, 14 FEBR. In de zomer van 1996 veranderde het Stedelijk Museum in Amsterdam voor enkele weken in een speeltuin. De Spaanse kunstenares Alicia Framis (Barcelona, 1967) had als bijdrage aan de tentoonstelling Peiling 5 een aluminium glijbaan gebouwd op de statige trappen van het museum. Kinderen roetsjten luid schreeuwend en gillend op juten zakken naar beneden, aangestaard door de verbaasde museumbezoekers.

De kunst van Alicia Framis is bedoeld om het dagelijks leven leuker en beter te maken en wordt daarom wel 'sociale sculptuur' genoemd, of 'de nieuwe performance'. Op 8 september 1997 plaatste ze een nieuw standbeeld op de plek van het Nationaal Monument op de Dam, dat tijdelijk voor restauratie was verwijderd. Haar Walking Monument was een

elf meter hoge toren van Spaanse acrobaten die op elkaars schouders stonden. Precies één minuut was de adembenemende toren voor de omstanders te zien, daarna herinnerden alleen de foto's in de dagbladen aan het spektakel. Alicia Framis won er de Prix de Rome (40.000 gulden) mee in de categorie 'Beeldende Kunst in de Publieke Ruimte'.

In haar meest recente project The Dreamkeeper gaat Framis zes weken lang

op nachtelijk bezoek bij eenzame Amsterdammers. Met een opgerolde slaapmat en gekleed in een speciaal ontworpen jurk annex slaapzak belt ze om klokslag middernacht aan en houdt ze tot het aanbreken van de volgende dag de wacht. Zij is een gesprekspartner, maar ook een droombewaarster in de periode dat het onderbewustzijn het roer overneemt. Met een camera obscura registreert Framis elke nacht het moment dat haar gastheer of gastvrouw gaat slapen tot het moment dat hij

of zij ontwaakt, in één enkele foto. De volgende dag ontwikkelt ze de foto in een speciaal ingerichte donkere kamer in Bureau

Amsterdam, waarna ze de afdruk ophangt. Sommige foto's zijn helemaal zwart, een teken dat er lang geslapen is, andere foto's tonen de vage contouren van een slapende persoon in bed. De tentoonstelling ontwikkelt

zich naarmate de tijd verstrijkt.

Via posters in de stad en aankondigingen in de krant werden eenzame stedelingen opgeroepen te reageren. Er belden enkele tientallen mensen, veelal veertigers en vijftigers die niet uit de kunstwereld afkomstig waren. “Het was af en toe best eng, want ik had geen idee bij wat voor mensen ik terecht zou komen”, vertelt Alicia Framis. “Maar de eerste indruk van iemand zegt al heel veel, dan weet ik of het veilig is of niet. Vaak zijn zij nog nerveuzer dan ik. Ik probeer ze dan op hun gemak

te stellen door precies te doen wat zij doen. Drinken ze hete melk, dan doe ik dat ook. Willen ze mediteren, dan doe ik met ze mee. Het verschilt per persoon hoe ik de avond invul. Soms praten we de hele nacht, andere keren gaan we meteen slapen.''

Framis vraagt de mensen te vertellen over hun dromen in het dagelijks leven, maar ook over hun fantasieën gedurende de nacht. “We liggen

dan in het donker en kunnen elkaar niet zien, maar voelen elkaars aanwezigheid. Ik lig op mijn matje op de grond en de ander ligt boven mij in het bed. Ik begin te vertellen wat ik denk en wat ik zie en de ander kan daar op inhaken. Zo creëren we samen een droom. Ik hoop dat de mensen na deze nacht het belang van hun dromen inzien.''

Eenzaamheid speelt een grote rol in Framis' werk. Vaak zoekt ze die eenzaamheid bewust op, door in een vreemde stad te gaan wonen waar ze niemand kent. In het najaar van 1996 werkte ze, op uitnodiging van het kunstcentrum Le Magasin, drie maanden in de wijk Villeneuve in Grenoble.

In deze wijk kreeg Framis een woning ter beschikking, te midden van junkies, dealers en andere randfiguren. “Het was een groot oud kraakpand waar enkele weken eerder een junkie was overleden. De kogelgaten in de deur en het bloed op de muur herinnerden nog aan de vorige bewoner. Er was geen verwarming en ik hoorde steeds de echo van mijn eigen stem. Ik heb uiteindelijk maar een tent in de ruimte gezet om

in te wonen.''

Om haar gevoel van angst en eenzaamheid te onderdrukken, bedacht Framis verschillende 'anti-angst-systemen', zoals het eindeloos van één tot tien tellen. Ook huurde ze een mannelijke etalagepop om haar gezelschap te houden. “Ik zette hem in het raam om potentiële indringers af te schrikken.” The Dreamkeeper was een van de anti-angst-systemen die Framis in Grenoble bedacht, maar toen ze het idee voorlegde aan Le Magasin werd er negatief op gereageerd omdat het te gevaarlijk zou zijn.

“Voor mij is kunst een manier van leven, een voorstel tot een andere vorm van leven”, zegt Framis. “Ik kan niet anders met mensen communiceren dan door middel van mijn kunst. Het is een soort drang van binnenuit. Ik heb het project The Dreamkeeper ook voorgesteld voor een tentoonstelling in Spanje, maar daar werd wederom negatief op gereageerd

omdat ik niets kon tonen op de opening. Toch moest en zou ik dat project

doen. Dus heb ik de tentoonstelling uiteindelijk maar afgeslagen. Hier in Nederland staat men veel opener voor deze procesmatige vorm van kunst. Hier is er geld beschikbaar, ook al weten subsidiegevers dat ze geen concreet resultaat kunnen verwachten. Dat is voor mij heel belangrijk, omdat ik mijn werk niet kan verkopen en dus geen inkomsten heb. Het eerste jaar dat ik in Amsterdam woonde en op de Rijksakademie zat, werkte ik elke dag tot vijf uur 's ochtends in een jeugdherberg. De

Prix de Rome is helemaal opgegaan aan het betalen van schulden en rekeningen. Nu heb ik gelukkig een basisstipendium, waardoor ik meer tijd aan mijn werk kan besteden.''

Dat er na afloop van haar projecten weinig tastbaars overblijft, interesseert Framis niet. “Het lijkt mij vreselijk frustrerend om een grote voorraad te hebben, om te moeten werken in een atelier omringd door je eigen kunstwerken. De manier waarop ik werk - soms duren mijn projecten twee minuten, een andere keer enkele weken - komt het dichtste

in de buurt van het echte leven. Soms mis je dingen in het leven omdat je er simpelweg niet bij was toen er iets gebeurde. Dat is de tragedie van het leven.''