'Vroeger waren hoogspringers heel andere types'; Vraaggesprek met Ruud Wielart en Wilbert Pennings

Vorige week verbeterde hoogspringer Wilbert Pennings met een sprong van 2,26 meter het achttien jaar oude indoorrecord van Ruud Wielart. Nu resteert nog diens belangrijkere 2,28, in 1979 in de buitenlucht gesprongen. “Vroeger waren we knettergek.”

DELFT/HAARLEM, 13 FEBR. Voordat Ruud Wielart bijna 29 jaar geleden in Leiden zijn Nederlands record van 2,28 meter sprong, haalde hij bij een wedstrijd in Florence bijna de hoogte van 2,31. “De lat bleef liggen, trilde, trilde, trilde en poef, donderde er toen af. Er zijn landen waar het misschien wel een geldige sprong zou zijn geweest. Daar lopen nog weleens aardige juryleden rond die de lat snel willen vastpakken.”

Wilbert Pennings heeft bewondering voor de prestaties van Wielart. “Het was heel knap om in die tijd al zo hoog te springen.” Volgens de Tilburger is het de hoogste tijd om het bejaarde record van 2,28 te verbeteren. Pennings, die gisteren 23 jaar werd, verwacht dat hij dit jaar zal slagen. Vorige week verbeterde hij het indoorrecord van Wielart met een sprong van 2,26. “Ik voel me buiten altijd lekkerder. Ik heb een nogal brede aanloop en dat geeft binnen nogal eens problemen.”

Pennings en Wielart kennen elkaar. Pennings bezocht bijna een jaar lang regelmatig trainingssessies van zijn vermaarde voorganger Wielart, die nu bondscoach hoogspringen is. Sinds anderhalf jaar bestaat die samenwerking niet meer. Pennings vindt dat hij weinig van Wielart heeft opgestoken. “Mijn eigen trainer, Frans Bosch, deed hetzelfde als hij. Het enige verschil was dat ik twee uur meer moest reizen om met Wielart in Den Haag te trainen. Verloren tijd dus.”

De nieuwe recordhouder is zeer te spreken over zijn trainer. Bosch is kunstschilder en dat beschouwt Pennings als een voordeel. “Hij heeft veel oog voor details. Dat heb je als atleet nodig. Hoe hoger je springt, hoe meer het aankomt op hele kleine dingen.” Pennings, student lucht- en ruimtevaarttechniek in Delft, heeft nog geen kunstwerk van Bosch aan de muur hangen. “Maar als ik met atletiek wat geld ga verdienen, koop ik een tekening van hem.”

Wielart vindt het geen probleem dat hij niet bij het succes van Pennings is betrokken. “Welnee! Zo'n Erica Terpstra-gevoel heb ik niet.” Hij wenst Pennings het allerbeste, maar kan niet beoordelen wat de mogelijkheden van de hoogspringer zijn. “Ik heb zijn laatste sprongen niet gezien. Maar hij zal zich zeker nog wel wat kunnen verbeteren.” Wielart denkt dat het met de gedrevenheid van Pennings wel goed zit. “Die is waarschijnlijk groter dan zijn talent. Dat hoeft geen probleem te zijn. Met talent alleen red je het ook niet. Bij mijzelf was het eigenlijk ook zo.”

Volgens Wielart had hij een verschillende techniek en een verschillend karakter dan Pennings. “Vroeger waren hoogspringers andere types. We waren knettergek. Dat wordt steeds minder. Ze zijn normaler, heel braaf vind ik het. Ja, dat geldt ook Pennings. Zo is tegenwoordig de maatschappij. De mensen zijn eenheidsworsten, replica's. RTL- en SBS-types. In de huidige top van het hoogspringen heeft alleen de Cubaan Sotomayor nog een beetje hetzelfde als wij.”

Volgens Pennings zijn de omstandigheden om te springen beter geworden. “Dus hoef je niet zo extreem te zijn om hoog te kunnen komen. Misschien moet je pas voor 2,40 weer echt gek worden. Toch zijn alle hoogspringers nog steeds een beetje geflipt. Iedereen heeft zo zijn eigen tik. De een draait voor een wedstrijd keiharde muziek, de ander rookt. Ik zelf ben weer heel erg op mezelf.”

Wielart had eerder verwacht dat Sven Ootjers zijn records zou verbeteren. “Die sprong als junior al 2,21. Dat was veel verder dan Pennings op dezelfde leeftijd. Ootjers had ook naar 2,30 moeten doorschieten, maar hij is dom gaan trainen.” Zo'n vijf jaar geleden bepaalde Ootjers met een paar leeftijdsgenoten het Nederlandse hoogspringen, hoewel ze nog junioren waren. “Maar dan gebeurt er wat met zulke jongens”, weet Wielart. “Ze raken in handen van ijdele mensen die alleen aan hun eigen belangen denken.”

Het valt niet mee sport op hoog niveau te bedrijven, beseft Wielart. “De jeugd moet bijbaantjes nemen om aan geld te komen, maar dan is er weer geen tijd om te sporten. Topsport is onbetaalbaar geworden. Er wordt vol trots over honderd miljoen voor de sport gesproken, maar dat is een bedrag van niks. Een voetbalclub met dat budget staat in Italië onderaan in de Serie A.” In zijn tijd als topsporter was het met financiën zeker niet beter gesteld. “Maar wij hadden minder afleiding”, stelt Wielart.

Hij wijst er op dat in de jaren zeventig veel Nederlandse topprestaties in de sport werden geleverd, zoals het twee keer bereiken van de WK-finale voetbal en de hoge klasseringen in de Tour de France. “Nu liggen we colletjes achter”, aldus Wielart. “Misschien hebben wij als jeugd van de wederopbouw geprofiteerd. We wilden ook graag. Momenteel zitten we na de patatgeneratie van Leo Beenhakker in het pizza-tijdperk. De jeugd hangt op de bank en laat lekker makkelijk alles thuisbezorgen.”

Desondanks loopt er volgens Wielart momenteel weer een groep talentvolle hoogspringers in Nederland rond. “Eentje is inderdaad helemaal gek en dat bedoel ik positief. Hij heeft misschien minder talent dan anderen, heeft zijn beperkingen, maar kan die misschien ontstijgen door zijn mentaliteit en bravoure. Dat soort types wint het uiteindelijk toch.”

“Ik herinner me dat ik vlak voordat ik die 2,28 sprong een ontzettend grote bek had”, zegt Wielart. “Ik riep voortdurend dat ik het wel even zou gaan doen.” Hij zat in 1979 aan zijn top en zou een jaar later naar de Olympische Spelen in Moskou gaan. Een zware blessure vlak onder zijn knie doorkruiste de plannen. Het was de tol van jarenlang hard trainen.

Wilbert Pennings wil ook naar de Olympische Spelen. Eerst gaat hij deze maand naar de EK indoor in Valencia, zijn eerste grote toernooi. De Brabander weet nog niet waar zijn grenzen liggen. Vorig jaar sprong hij indoor 2,20, nu 2,26. Die enorme progressie verraste hem zelf ook. “Ik moet zorgen dat ik snel naar 2,30 ga. Daarmee kan ik de wedstrijden van het Europese circuit binnenkomen.”