Tussen devotie en ijdelheid; Vijfenveertig jaar uitbundige gewetensnood in zwarte popmuziek; De optische voordelen van het maillotstrakke witte broekpak

Zwarte artiesten brachten extravagantie en theater in de pop. Het fotoboek 'Heart & Soul' toont de geschiedenis van de zwarte muziekcultuur aan de hand van platenhoezen - een index van modes en stijlen. “James Brown mat zich in de loop der jaren zoveel kapsels aan dat er niet genoeg Nederlandse woorden voor zijn.”

Bob Merlis en Davin Seay: 'Heart & Soul - A Celebration Of Black Music Style in America 1930-1975'. Uitg. Stewart, Tabori & Chang. Prijs ƒ 93,-.

Little Richard zat eens in het vliegtuig op weg naar Australië. De motor braakte dikke zwarte wolken. Richard zag de rook aan voor het vagevuur. 'Gods toorn', flitste het door zijn hoofd. Bij aankomst in Sydney gooide hij een klein fortuin aan juwelen in het water van de baai. Daarna verwierp Richard zijn schandelijke - maar wel zeer populaire - rock 'n' roll. Hij ging terug naar Amerika, meldde zich aan bij de bijbelschool van Alabama en zwoer voortaan alleen nog gospel te zullen zingen.

Maar al snel was Little Richard weer bekeerd tot de profane muziek, om later opnieuw de veilige kant van Gods woord te kiezen. Zo zwalkte hij van 'I Need You Lord' naar 'Baby, Don't You Want A Man Like Me' en met evenveel vuur bezong hij eerst Hem, dan Haar.

Mahalia Jackson, de bekendste gospelzangeres, had 'snake hips' en hoewel ze als geen ander de Heer kon loven, ontzegden de ouderlingen haar zondige lichaam meer dan eens de toegang tot hun kerk.

De geschiedenis van de zwarte muziek kent meer van dit soort voorbeelden: zangers en zangeressen die het spirituele leven niet konden rijmen met hun aards gedrag. Het hoofd wilde wel naar de kerk, maar de benen liepen de andere kant uit. Naar de schamele kroegen en nachtclubs waar uitdagende shows konden worden gegeven, in prangende bloesjes en nauwe broeken.

Uit het lood

Het onlangs verschenen Heart & Soul - A Celebration of Black Music Style in America 1930-1975 toont de geschiedenis van de zwarte muziek aan de hand van platenhoezen. De combo's, de trio's, de meisjesgroepen, de solisten, de jazz-, blues-, soul-, disco- en gospelzangers - hun perfecte poses of juist uit het lood geslagen verschijningen vormen tezamen een index van modes en stijlen. En al is de bijbehorende tekst nogal onsamenhangend (de meest uiteenlopende artiesten worden aan elkaar gebreid, van Duke Ellington tot Joe Tex, van Billie Holiday tot Little Eva), het boek als geheel biedt een prachtig overzicht van vijfenveertig jaar gewetensnood. Vijfenveertig jaar devotie of ijdelheid.

De hoezen zelf zijn niet meer dan een geheugensteuntje, een aandenken. Ze geven een glimp van de exuberantie die de artiesten op het toneel lieten zien. Een danspas, een omklemde microfoon, de rest moet je er zelf bij denken. Meer dan de in slagorde opgestelde Chantels of Dominoes zijn het de uit focus bewegende La Vern Baker en Etta James die de verbeelding prikkelen. Baker poseert, maar spert in vervoering haar mond alsof ze aan het zingen is. Etta James danst tijdens een live-optreden bijna het beeld uit. Om haar arm heeft ze een rekverband. Zo'n beweeglijk type zal wel eens van het podium gevallen zijn, is de voor de hand liggende gedachte.

De door Bob Merlis en Davin Seay geschreven tekst vertelt dat het verband om haar pols de sporen van naalden moest verbergen. Want de geschiedenis van de zwarte muziekcultuur is ook de geschiedenis van verslaving en drankmisbruik, uitbuiting en bedrog, racisme en onderdrukking. De tiener Frankie Lymon kreeg eind jaren vijftig een hotdog voor zijn zangprestaties op 'Why Do Fools Fall In Love', een million seller, en de rondreizende stal van Motown uit Detroit moest in het Zuiden achterom een lunchroom binnen.

Het boek had vol kunnen staan met zulke trieste anekdotes, maar de teneur is anders. Heart & Soul wil een 'celebration' zijn, een viering van de zwarte cultuur, en legt de nadruk op het groeiende zelfbewustzijn en de individuele successen van zwarte artiesten. De 114 hitparade-noteringen van James Brown bijvoorbeeld, die niet alleen platen volzong maar ook een restaurantketen beheerde ('James Brown's Golden Platters') en een eigen radiostation had.

De kleine vierhonderd platenhoezen, posters en promotiefoto's die hier zijn afgedrukt, laten zien hoe zwarte muzikanten het aanzien van de popmuziek hebben veranderd. Waar veel blanke artiesten in een eenvoudig kostuum optraden, haalden zij het 'theater' op het podium: met synchrone danspassen, speciaal gemaakte kleding en groteske expressie. Zwarte muzikanten die eenmaal voor het seculiere leven hadden gekozen mochten ijdel zijn. Op een portret heeft Muddy Waters een hoofd vol krulspelden. James Brown mat zich in de loop der jaren zoveel verschillende kapsels aan dat er niet genoeg Nederlandse woorden voor zijn - de pompadour (opgekamd), bouffant (wijd uitstaand), cascade (waterval), Beatle-coupe, kuif en afro. En net als Janet Jackson bij haar optredens altijd op hetzelfde moment in tranen uitbarst, zo wordt ook Brown al sinds het begin van zijn carrière regelmatig door emotie overmand. Tijdens het nummer 'Please Please Please' zinkt hij op zijn knieën en gebaart niet verder te kunnen. Pas als een van zijn Famous Flames een fluwelen cape om zijn schouders legt en hem met zachte hand naar de coulissen leidt, kan Mr. Dynamite weer verder.

Schedel

Het show-element is tegenwoordig niet meer weg te denken uit de popmuziek. Maar zonder Mahalia Jackson's 'snake hips' had Elvis Presley niet geweten waarmee hij moest schokken, zonder James Brown had Nick Cave zich niet op zijn knieën laten vallen en zonder Screamin' Jay Hawkins had David Bowie nooit een schedel gekust. De beroemde truc van Mick Jagger om een microfoonstandaard omver te trappen en die, net voor hij de grond raakt met één hand al vallend uit de lucht te grissen, is afgekeken van Joe Tex.

Op de hoezen in de jaren vijftig stonden Big Jay McNeely, Ivory Joe Hunter en Fats Domino er nog beschaafd lachend bij, in de jaren zestig werden de foto's uitbundiger. Het grote op-de-borst-kloppen kon beginnen: exotisch met tulband (Screamin' Jay Hawkins), koninklijk met kroon (The Imperials), wijs met een professorenbaret (Otis Redding op de hoes van The Dictionary Of Soul). Hoezen waren vaak de letterlijke verbeelding van titels of groepsnaam. Op Cookin' With The Miracles staan de groepsleden als kok verkleed, Preston Love's Omaha Bar-B-Q toont saxofonist Love met zijn instrument gebogen over een vervaarlijk rokende barbecue.

Begin jaren zeventig waren de hoesfoto's niet meer ondeugend, maar ronduit verleidelijk. The Three Degrees ontblootten hun navels en de mannelijke leden van The Master Plan toonden de optische voordelen van het maillotstrakke witte broekpak. Zwarte muzikanten werden trendsetters. Het waren de funkmuzikanten George Clinton en Bootsy Collins die als eersten de zilveren space-outfits bedachten, en menige blonde blanke vrouw koos in de jaren zeventig voor een afro-permanent.

21 kinderen

De 'black music style' die met Heart & Soul wordt geëerd is er een van extravagantie. Wat uiterlijk betreft, maar ook op andere terreinen. De aan de kerk ontsnapte artiesten belandden vaak meteen aan de andere kant van het spectrum: drank, drugs en veelwijverij. Solomon Burke kreeg 21 kinderen en over de luidruchtige Wynonie Harris vertellen Bob Merlis en Davin Seay: 'als hij niet aan seks dacht, dan was het waarschijnlijk omdat hij een kater had'. Harris schreef onverbloemd over zijn drankzucht, in liedjes als 'Drinkin' Wine Spo-Dee-O-Dee' (wijn met whiskey) en 'Bloodshot Eyes'. Seks werd omzichtiger aangepakt. Diezelfde Wynonie Harris insinueerde graag, bijvoorbeeld met 'I Like My Baby's Pudding' en 'Sittin' On It All The Time', en net als veel andere artiesten maakte hij voor zijn teksten dankbaar gebruik van de dubbelzinnige betekenis van de uitdrukking 'to rock 'n' roll', zoals in 'All She Wants To Do Is Rock'.

Begin jaren zestig werd een zwarte artiest nog wel eens van de hoes van zijn eigen plaat geweerd. My Guy van Mary Wells bijvoorbeeld verscheen in een hoes met tekening. En als er toch een foto werd gebruikt kregen de donkerste artiesten een wat lichtere huidskleur - dit alles om de blanke platenkopers niet af te stoten.

Dit boek loopt tot 1975, waarschijnlijk omdat de zwarte muziekcultuur daarna zo sterk is uitgedijd dat zij niet meer in één boek zou passen. In een paar decennia is er wel wat veranderd; toen Madonna begin jaren tachtig haar eerste single opnam klonk ze zo 'zwart' dat de platenmaatschappij besloot geen foto van het blonde blanke meisje op de hoes te zetten. De zwarte platenkopers zouden zich misschien afgeschrikt voelen.