Troebel goud aan de Ivoorkust

Henk den Heijer: Goud, ivoor en slaven. Scheepvaart en handel van de Tweede Westindische Compagnie op Afrika, 1674-1740. Walburg Pers, 464 blz. ƒ 59,50

West-Afrika vormt een weinig roemrijk toneel in de geschiedenis van de Nederlandse expansie. Een handvol schuinsmarcheerders, stervend als vliegen op een godverlaten kust, zich bezig houdend met slavenhandel. Dit weinig verheffende beeld is er vermoedelijk de oorzaak van dat de geschiedschrijving van de Nederlandse handelsexpansie in het Atlantisch gebied zo verwaarloosd is gebleven in vergelijking met de Oost-Indische Compagnie. Ten onrechte. De gebeurtenissen op de West-Afrikaanse kust vormen een misschien niet zo heldhaftig maar wel een boeiend relaas van het Nederlands ondernemerschap overzee.

De West-Indische Compagnie, opgericht in 1621, is vooral bekend om haar handel in slaven, waarvan zij er in de zeventiende en achttiende eeuw enkele honderdduizenden naar Amerika heeft vervoerd. Toch waren het niet slaven die de Nederlanders naar de Afrikaanse kusten trokken, maar goud en ivoor. De slavenhandel kwam pas op gang na de verovering van Brazilië en de opkomst van de suikerplantages in Guyana. Slechts gedurende enkele decennia, tot het begin van de achttiende eeuw, was het transport van slaven naar de Amerikaanse koloniën de winstgevende core business van de WIC. Na 1711 moest zij steeds meer winsten in de slavenhandel prijsgeven, maar de goederenhandel - dat wil zeggen de ruil van textiel, alcoholica, wapens en kaurischelpen tegen goud en ivoor - bleef een redelijk rendement opleveren.

De situatie in West-Afrika waarin de WIC opereerde, was buitengewoon ingewikkeld. Waar de VOC in Azië erin slaagde de productie en handel in de belangrijkste producten - fijne specerijen - geheel te monopoliseren, bleek dit in Afrika onmogelijk. Het meeste goud kwam uit het binnenland, waar de delving buiten bereik van de Compagnie bleef, en ook de aanvoer van slaven was moeilijk te beheersen. Winstmarges waren bovendien relatief klein, zodat verovering en bezetting van een groot grondgebied niet loonden. Kapers op de kust waren er in ruime mate en verscheidenheid: concurrerende Europese compagnieën, smokkelaars en piraten. Veel leveranciers, veel concurrenten: onder deze omstandigheden was prijszetting bijna onmogelijk.

Toch probeerde de Compagnie naar beproefd Nederlands devies de zaken aan de Afrikaanse kust zoveel mogelijk naar haar hand te zetten en, zo toont Henk den Heijer aan, wist daar aanzienlijk voordeel uit te trekken. Net als in de Oost kwamen de Nederlandse investeringen op de juiste tijd. Gebruikmakend van de Portugese zwakte en met een aanzienlijk inlegkapitaal van particuliere investeerders wist de Compagnie zich op strategische plaatsen aan de Afrikaanse kusten te verschansen. Met name op de Goudkust, de kuststrook van het huidige Ghana, waren de Nederlandse forten prominent.

Geweerschot

Hoewel het werkelijke bezit zich niet verder uitstrekte dan een geweerschot van de kasteelmuren, beschouwde de Compagnie de kust ongeveer als eigen gebied. Of de Nederlanders zelf helemaal in de claim geloofden, is de vraag, maar het had een zeker afschrikwekkend effect. Voor de Compagnie was het zaak de concurrentie zoveel mogelijk buiten de deur te houden. Waar kon, werd de Engelsen, Fransen en Brandenburgers de voet dwars gezet. Niet in de eerste plaats met eigen wapenen, maar door Afrikaanse geallieerden tegen de concurrenten op te zetten. Menig Franse en Brandenburgse onderneming werd door deze geallieerde stokebranden gesmoord.

De aardigste verwarringen ontstonden over de interpretatie van verdragen met de Afrikaanse autoriteiten. Net als haar Oost-Indische zustercompagnie, bezat de WIC een groot legalistisch fanatisme. Met een merkwaardige hardnekkigheid sloot de Compagnie honderden contracten met evenzovele Afrikaanse vorsten en lokale machthebbers. Stuk voor stuk draaiden de verdragen om het verkrijgen van exclusieve handelsrechten, maar de afspraken waren meestal het papier niet waard en het minste of geringste kon de balans op de kust doen omslaan. Tussen de talloze Afrikaanse machthebbers moest de Compagnie permanent spitsroeden lopen, waarbij wapenleveranties als smeermiddel werden gehanteerd, die zich op den duur echter evengoed tegen de Compagnie konden keren.

In deze staat van verschuivende allianties en concurrentie moest de WIC winst zien te maken. Toen de rendementen op den duur onder druk kwamen te staan, bleek het moeilijk het monopoliesysteem te handhaven. Het wekt, achteraf gezien, geen verbazing dat de Compagnie vroeg of laat het monopoliesysteem moest loslaten. Wat juist verwondert, is dat de WIC het hoofd tot 1730 boven water heeft weten te houden. Compagnieën uit andere landen brachten of weinig tot stand, zoals de Fransen en Brandenburgers, of stelden in een vroeg stadium de handel voor particulieren open, zoals de Engelse Royal African Company in 1698 deed. Zo niet de West-Indische Compagnie. Den Heijer toont aan dat het bezit van het grote aantal steunpunten op de kust lange tijd in het voordeel van de Compagnie heeft gewerkt.

Den Heijer geeft een heldere uiteenzetting over de oorzaken van de omkeer van het West-Indisch fortuin rond 1700. In de eerste plaats verloor de Compagnie de belangrijke Spaanse afzetmarkt voor slaven in Amerika doordat Engelsen het exclusieve contract verkregen voor levering van slaven aan de Spaanse koloniën. Bovendien dreef de toenemende concurrentie op de Goudkust de inkoopprijzen op. Steeds meer particuliere schepen uit Engeland dumpten er ruilgoederen, waardoor de prijs van slaven, goud en andere producten steeg. Hier wreekte zich de grote overhead van de Compagnie, die door de kosten van bezetting met hogere winstmarges moest werken dan de particuliere handelaars. Ook de politieke situatie aan de Goudkust vertroebelde de glans van de goudhandel. De opkomst van het Ashanti-rijk in het binnenland ging met zoveel onrust en oorlog gepaard, dat de toevoer van het edelmetaal stokte, wachttijden van de schepen langer werden en de kosten navenant hoger.

Octrooi

Bij de verlenging van het octrooi in 1730 klonken steeds luider stemmen voor openstelling van de handel. Uit de moeizame onderhandelingen blijkt hoe moeilijk de Compagnie het monopoliedenken kon loslaten. Grote voorstanders van vrijhandel waren Zeeuwse kooplieden. Onder pressie van de Zeeuwen en vooral van de dalende winsten gingen Staten-Generaal en bewindhebbers overstag en werd de gehele handel in het gebied van de WIC, behalve de slaventransporten op Guyana, vrijgegeven.

Na 1730 concentreerde de WIC zich nog kortstondig op de slavenhandel op Suriname, maar toen de slavenprijzen daar ook nog kelderden, werden de verliezen te groot voor de krappe kas van de Compagnie. Ook hier werden na 1738 particuliere slavenhandelaars toegelaten. In tien jaar tijd had zich een totale metamorfose van de oude handelsorganisatie voltrokken. Sinds de jaren dertig beperkte zij zich tot beheer van de handelsposten, tussenhandel van slaven, en het heffen van belasting op de particuliere schepen. Op bescheiden schaal maakte de Compagnie wel weer winst. De overstap van 1730 bleek een wijze keuze te zijn geweest.

Toch viel geleidelijk het doek over het Nederlandse avontuur in Afrika, zowel voor de Compagnie als de andere handelaars. Omzet en winsten kelderden onder de straffe Engelse concurrentie. Net als in AziEË het geval was, deed de Vierde Engelse Oorlog in 1780 de deur dicht. Nog bijna honderd jaar zou een handvol Nederlanders de relicten van de Compagnie beheren, totdat in 1872 de forten in arren moede aan de Engelsen werden weggegeven.

Goud, ivoor en slaven stelt een grotendeels onbekende geschiedenis te boek en rekent af met een aantal hardnekkige vooroordelen. Dat niet alles om de slavenhandel draaide en dat het monopoliestelsel tot in de achttiende eeuw wel degelijk profijtelijk was, zijn constateringen van belang. Helaas is de stijl wat bloedeloos en verraadt de structuur van het boek de kaartenbak van de promovendus, met vele opsommingen, herhalingen en samenvattingen.

Bovendien heeft Den Heijer opmerkelijk weinig affiniteit met de Afrikaanse wereld. Zo heten de slaven consequent 'zwarten', ongetwijfeld in navolging van de archiefbronnen, en komen we nauwelijks te weten hoe de handel aan de kust er werkelijk aan toeging. Evenmin horen we iets over de merkwaardige groep Afro-Europeanen, die een belangrijke positie innamen als makelaars en tussenhandelaars. Zo blijft het onderzoek dicht bij de grootboeken en journaals van de Compagnie. Hoe jammer dit alles ook is, Goud, ivoor en slaven zal voor lange tijd een ijkpunt blijven voor de geschiedenis van de Afrikaanse handel van de oude Nederlanders.