Sportieve prins

Het aandoenlijke van de parlementaire monarchie is natuurlijk de frase dat de koning zich niet kan verdedigen. Men stelt zich de koning niet alleen voor als de bewoner van kastelen en paleizen, maar ook als de ongenaakbare veldheer die zijn troepen leidt op het slagveld. Overal waar de machtige vuist van de monarch neerdaalt, splijt de aarde open en wee degene die op het onzalige idee komt om te twijfelen aan het gezag van de koning. Zijn dagen zijn geteld.

In onze parlementaire monarchie is de figuur van de koning nu zo verwekelijkt dat hij zich niet meer kan verdedigen. Sterker nog: zelfs als hij zich wel zou kunnen verdedigen, mag hij dat niet. Om de monarchie nog enige bescherming te bieden, is ooit majesteitsschennis als strafbaar feit opgevoerd, maar ook dat heeft weinig te betekenen. Toen iemand de toekomstige koning van dit land een judas en een lafaard noemde, haastte het openbaar ministerie zich om te verklaren dat er niet tot vervolging zou worden overgegaan. Het openbaar ministerie weet ook wel dat bij een aanklacht een heel legertje van columnisten en cabaretiers klaar zou staan om er nog een schepje bovenop te doen. Strafrechtelijke vervolging zou de hulpeloosheid van de koning alleen maar uitvergroten en hij zou daardoor nog vatbaarder worden voor hoon en spot. De moderne koning is een boksbal.

Omdat de machteloze koning in ons staatsbestel slechts symbolisch de macht vertegenwoordigt, treden er onbedoeld allerlei hilarische effecten op. Zo moeten degenen die verantwoordelijk zijn voor de uitspraken van de monarch, die in feite kunnen bepalen wat de koning mag doen en wat hij moet laten, zich tegelijkertijd gedragen als lakeien en bedienden. De ministers zijn de baas over de koning, maar als zij hem verdedigen, moeten zij zich zo klein mogelijk maken om vooral niet de indruk te bevestigen dat het van God gegeven gezag krachteloos is. Het parlement dient te begrijpen dat een koningschap alleen maar kan overleven in wat je een institutionele hypocrisie zou kunnen noemen.

In de Tweede Kamer verdedigde minister-president Kok het IOC-lidmaatschap van kroonprins Alexander. Hij deed dat op zijn vertrouwde wijze: een beetje saai en met omhaal van te veel woorden. Niettemin werd duidelijk dat de kroonprins dat beetje beter niet had kunnen aannemen. Wat heb je aan een bestuurslid dat in een aantal kwesties niet mee zal stemmen, omdat die politiek te gevoelig liggen? Dat het IOC heeft ingestemd met de staatsrechtelijke beperkingen die het lidmaatschap van de kroonprins meebrengt, geeft wel aan dat Samaranch vooral geïnteresseerd is in de uiterlijkheden die de praal van zijn eigen regime kunnen vergroten.

En wat het optreden van de prins zelf betreft: iedereen heeft het recht om van mening of van ambitie te veranderen, maar als je expliciet in een brief hebt laten vastleggen dat het niet je bedoeling is om een bepaalde functie na te streven, zou het wel zo fatsoenlijk zijn geweest ook even in een brief te laten weten dat je van mening bent veranderd. Opmerkelijk genoeg is de veroorzaker, of liever de veroorzaakster van alle ellende tot dusver buiten schot gebleven, want als er iemand in deze affaire zwak heeft geopereerd dan is het wel de staatssecretaris van sport, Erica Terpstra.

Hoe is het gegaan?

Nadat de kroonprins naast zijn stoel was gevallen en weer was opgekrabbeld, is hij naar de staatssecretaris gegaan met de mededeling dat hij was gevraagd als IOC-lid. De staatssecretaris heeft toen gedacht: “O mijn God, dat is het baantje dat ikzelf ook zo graag had willen hebben. Als ik de kroonprins nu afraad om die functie te aanvaarden, zal mij later ongetwijfeld worden verweten dat ik heb gehandeld uit jaloezie en eigenbelang.” Door haar eigen betrokkenheid zat er voor de staatssecretaris dus niets anders op dan de kandidatuur van de prins te steunen. Daar zit de onzuiverheid. Helaas is de minister-president toen niet erg op zijn quivive geweest en heeft zich laten meesleuren door het monsterlijk enthousiasme van zijn staatssecretaris.