Poëzie van Hüsgen; Een speeltuin van de geest

Lucas Hüsgen: Stoa. Querido, 309 blz. op diskette. ƒ 14,95

Tussen 1865 en zijn sterfjaar 1898 werkte Stephane Mallarmé aan een poëtisch reuzenproject dat als Le Livre in druk moest verschijnen. Dit boek der boeken, waarin 'alles' zowel gezegd als ongezegd moest blijven, kwam echter nooit van de pers. De Franse symbolist leek zich bij deze mislukking neer te leggen. De poëzie die hij wel publiceerde, omschreef hij met stoïcijnse berusting als 'études en vue de mieux'.

Dat Lucas Hüsgen bij Mallarmé en diens navolgers in de leer is geweest, bleek al uit zijn eerste dichtbundel, Nevels orgel (1993). In nog geen vijftigbladzijden trachtte de Nijmeegse dichter het boven- en ondermaanse te laten samenklinken in beeldende regels die als spreeuwen over de zetbreedte fladderden. Hier werd, leek het, alsnog getimmerd aan Le Livre. De inzet was indrukwekkend en in Hüsgens woorddronken regels klonk een heel eigen stem. Het totalitaire streven ten spijt was deze bundel echter niet meer dan een gooi naar het onmogelijke - een 'étude en vue de mieux'.

In de folder bij Stoa noemt Hüsgen zelf Le Livre als de belangrijkste voorloper van zijn nieuwe dichtwerk. Mallarmé's project streefde, stelt hij, naar 'het boek waarin al het bestaande samenstroomt'. Hüsgen wil niet pretenderen dat dit in Stoa ook gebeurt, maar vindt 'dat je je niet zoals Mallarmé neer moet leggen bij die mislukking.' Je kunt op z'n minst fantaseren over de vraag hoe zo'n boek eruit zou zien.

Dat boek - Stoa - is helaas geen echt boek geworden. Uitgeverij Querido vond een omvang van 309 bladzijden commercieel te riskant voor een dichtbundel. Bij het poëtisch experimentele karakter vna Stoa past ook wel een experimentele uitvoering. Dus werd het een high density-diskette, die zowel via MS-DOS WordPerfect 5.1 als Windows Word 6.0 te lezen is. Samen met een dubbel vouwblad zit die diskette in een plastic zakje, en dit alles kost nog geen vijftien gulden.

De inhoud en de stijl van Stoa lenen zich zeker voor 'zappend' verkennen, maar voor echt lezen is het beeldscherm onpraktisch. Geen nood, schrijft de uitgever in het vouwblad. Zelfs 'wie geen pc in huis heeft hoeft Stoa niet te missen: op iedere straathoek kan hij een schijfje laten omtoveren tot een print van meer dan 300 bladzijden.' Dat heb ik dus maar laten doen, en inmiddels overweeg ik die stapel te laten binden.

Stoa is, zo letterlijk als het kan, een onboek. Maar koop het! Niet omdat het een interessant verzamelobject is, maar om de fascinerende inhoud. Want hoe fragmentarisch en ondoorzichtig dit poëtische vierluik ook is - als lezer zwerf je van verbazing tot ergernis, van wanhoop tot verrukking, van zerk tot lachspiegel door Hüsgens doolhof.

Wat Mallarmé niet ter perse kreeg, lijkt hier geslaagd. Al het bestaande stroomt samen in Stoa. De ganse Schepping wordt overgedaan in een aan waanzin grenzende vertelling, die voortdurend wordt afgebroken en dus nooit echt een verhaal wil worden. Intussen zet de dichter je als lezer steeds weer op het verkeerde been met sprookjesachtige inzetten als:

In een streek waar karkassen van de vrolijke dieren geheten de varkens aan bruikbare stukken gesneden reisjes beginnen in grote wagens leefde tussen maïsvelden in een hut zonder kleur zonder vorm een jong manneke zonder moe of pa

Maar wie verlekkerd achteruit gaat zitten voor de rest van de vertelling, vindt zichzelf drie pagina's later verzand in even orgastische als hilarische slotregels: hoor de callgirl/ haar hart bromt// van nieuwbouw.

Na lezing van het eerte deel van Stoa valt er nog wel iets na te vertellen (over de zinnelijke dwaaltocht van Manuel en Amale bijvoorbeeld, door het raadselachtige Zankir) maar in de drie volgende delen kalft de verhaallijn af en krijgt de poëzie een veel opener karakter. Er komt dan meer lucht op de pagina's, ook in de typografie.

Die luchtigheid is een nuttig tegenwicht voor de filosofische onderstromen in Stoa. De vierdelen (S, T, O en A) zitten vol wijsgerige referenties. Hüsgen verwijst zelf bovendien naar de vijftiende brief van Hadewych en verklaart het slotdeel als de verwerking van een mystiek zonder god. Maar ook zonder voorkennis laat Stoa zich verkennen als een speeltuin van de geest. De pretentieuze motto's van Hans Arp, Friederike Mayröcker, Ilse Aichinger en Jean Paul tonen hooguit dat de dichter ook op de Duitse poëziemarkt inkopen deed. Maar ook zonder die motto's was wel duidelijk dat Hüsgens woordspel onder meer schatplichtig is aan het werk van Mayröckers levenspartner, Ernst Jandl.

Met dat al toont Hüsgen in Stoa vooral waartoe hij zelf in staat is. Ze zijn soms flauw, zijn woordspeligheden, en soms ergerniswekkend, maar zijn taal blijft bevlogen en zijn woordenschat verbijstert. Daarbij komt dat hij alle registers van stemmen en stemmingen opentrekt en beheerst: van carnavaleske roltong tot dreunende orgeltoon, van boerse rust tot subtiele vervreemding. Zelden heb ik me als poëzielezer zo thuis gevoeld in een pandemonium.