Nachtmerrie aan de Lijsterlaan; Karakter boven plot bij Renate Dorrestein

Renate Dorrestein: Een hart van steen. Contact, 238 blz. ƒ 45,- (geb.)/ƒ 34,90

Zoals Woody Allen bijna ieder jaar een film maakt en Voorheen Prince elke achttien maanden een cd, zo publiceert Renate Dorrestein met bewonderenswaardige regelmaat een nieuw boek. Sinds haar debuut Buitenstaanders (1983) schreef ze behalve een autobiografisch boek over de zelfmoord van haar zusje (Het perpetuum mobile van de liefde) en een verslag van haar lijdensweg als ME-patiënte (Heden ik) tien romans.

Daarin ontwikkelde Dorrestein zich van een specialiste in feministisch getinte thrillers, waarin ze naar eigen zeggen emoties op een afstand hield, tot een allround schrijfster met een toegankelijke stijl, inventieve plots en een herkenbare thematiek. 'Het gaat over vergelding en nog eens vergelding', zei Dorrestein vorig jaar in een interview met deze krant. In haar romans tiert het kwaad dan ook welig. In de boze buitenwereld natuurlijk, maar vooral binnen de beslotenheid van het gezin - die broedplaats van incest, verkrachting, ontrouw, vernedering, haat en nijd.

'Elke familie heeft haar eigen geheimen en verborgen gebreken', luidde de kernzin van het twee jaar oude Verborgen gebreken. Met Een hart van steen, de opvolger van het boekenweekgeschenk Want dit is mijn lichaam (1997), varieert Dorrestein voor de derde achtereenvolgende keer op Tolstojs beroemde stelling dat elk ongelukkig gezin ongelukkig is op zijn eigen wijze. Ditmaal draait het niet om het sociaal-zwakke gezin van een getraumatiseerd meisje of om de koel-moderne familie van een hovaardig kunstenaar, maar om een doodgewoon burgermansgezin in een lommerrijke buitenwijk van Haarlem. Een happy family die in het begin van de jaren zeventig na de geboorte van een vijfde kind volledig desintegreert, tot de dood erop volgt.

De vertelster van Een hart van steen is Ellen van Bemmel, een werkloze patholoog-anatoom die vijfentwintig jaar na het drama in haar familie weer gaat wonen op de plaats des onheils: de villa kakelbont aan de Lijsterlaan waar ze als derde kind ('ik was het cement: ik moest iedereen bij elkaar houden') ooit gelukkig was tussen de professionele knipselarchieven van haar ouders. De 37-jarige Ellen is zwanger, bewust alleenstaand, en al gauw na de verhuizing wegens een dreigende miskraam veroordeeld tot bedrust. Ze heeft tijd genoeg om oude foto's te bekijken, in flashbacks het verleden te reconstrueren, te converseren met de schimmen van haar dode familieleden, en antwoord te krijgen op de vraag die haar pijnigt sinds haar twaalfde: waarom ontsnapte zij aan het gruwelijke lot dat haar zusjes, broer, vader en moeder trof?

Dorrestein houdt van suspense, maar de toedracht van de nachtmerrie aan de Lijsterlaan doet ze snel uit de doeken. Na een bladzijde of dertig, waarin Ellen herinneringen ophaalt aan haar harmonieuze (hoewel niet rimpelloze) jeugd, worden we met een plotselinge mededeling wakker geschud: 'De politie vond Carlos en mij in de (...) oude kelder, huilend van angst. Sybille, Kester en Ida waren toen al dood. Het schijnt dat ze niet hebben geleden. Ze zaten er op de foto's van het gerechtelijk laboratorium heel vredig bij. Mijn ouders trouwens ook.'

Zeventig bladzijden later krijgen we te horen wat we al vermoedden - het zijn de ouders Van Bemmel die zichzelf en hun kinderen hebben vermoord. En nog voor het laatste kwart van het boek kennen we de oorzaak van het drama: de kraamvrouwenpsychose waarin de moeder terechtkwam na de geboorte van haar jongste dochter.

Hoe en waarom Ellen overleeft, blijft tot bijna de allerlaatste bladzijde een mysterie. Wat niet wil zeggen dat Dorrestein een plot-driven thriller geschreven heeft. Spanning genoeg in Een hart van steen, maar de roman moet het meer hebben van de stap-voor-stapbeschrijving van totale teloorgang (modelgezin wordt gruwelkabinet) en van de karaktertekening van de ik-figuur. Ellens ontwikkeling - van vroegwijze puber tot losgeslagen probleemkind tot berustende moeder in spe - is verpakt in goed getroffen innerlijke monologen. Zij rijst voor ons op, de vrouw die door het onvermijdelijke schuldgevoel van de overlevende een hart van steen lijkt te hebben gekregen; het nooit helemaal volwassen geworden meisje dat zichzelf lange tijd verantwoordelijk hield voor de ellende in haar familie, omdat zij haar aanstaande zusje opzadelde met de lelijkste naam die ze kon verzinnen: 'Ida rijmde op malaria, en als je er een paar letters bij gooide, kreeg je diarree.'

Het is Ellens stem, cynisch en licht-filosofisch, die Dorrestein de kans geeft om te imponeren. Met mooie one-liners als 'Waar ik ook ben, ik ben het noorden op zijn kompas' en 'Op deze handen, Margje, heb ik je altijd gedragen'. Met originele beschrijvingen van een puberteit in de jaren zeventig (zware Van Nelle en In de ban van de ring), maar ook van een net ontwaakt familielid (met 'een muffe lucht van oude adem en niet-gedroomde dromen'). En met overpeinzingen die even laconiek als humoristisch zijn: 'Soms kreeg hij een aanval van groene vingers (...) ik was altijd meer van het meditatief naar de kamperfoelie staren, met een glas witte wijn onder handbereik.'

Stilistisch en thematisch is Een hart van steen een mooie uitbreiding van de Dorrestein-canon. En toch is het geen bijna-perfecte roman, zoals het ijzingwekkende Verborgen gebreken. Vooral de onderbouwing van de plot doet wel een erg groot beroep op het inlevingsvermogen van de lezer. Zeker, een extreme vorm van postnatale depressie kan tot kindermishandeling en moord leiden, maar in de gezinssituatie van Een hart van steen moet nog iets anders aannemelijk gemaakt worden: de medeplichtigheid van de vader. De keten van oorzaak en gevolg die Dorrestein daartoe smeedt, is niet alleen gewrocht, maar zelfs af en toe lachwekkend. Voeg daarbij de didactische uitweidingen over kraamvrouwenpsychose ('Hoe kan men iets herkennen als men niet weet dat het bestaat en hoe het heet?') en de veel te nadrukkelijke, af en toe larmoyante commentaren op het drama ('voor eeuwig zestien, beroofd van al haar plannen en dromen'), en je krijgt grote bewondering voor de subtiele manier waarop Frederik van Eeden een enigszins vergelijkbaar onderwerp verwerkte in het 98 jaar oude Van de koele meren des doods.

'Beleef de nieuwe Renate Dorrestein' luidt de slagzin waarmee Een hart van steen aan de man wordt gebracht. Hoewel Dorrestein ongetwijfeld niet verantwoordelijk is voor de advertentiecampagnes van haar uitgeverij, is het een onbedoeld ironische aanprijzing. Een hart van steen is een roman die sympathie en respect afdwingt, maar die te veel afstand tot de lezer bewaart om een belevenis te zijn.

Uit: Renate Dorrestein, Een hart van steen

Als je goed keek, zag je dat de grafsteen hartvormig was, een ijskoud stenen hart dat alles zou overleven zonder ooit een tel te hoeven kloppen. Het zou er nog zijn als iedereen die eronder lag, allang vergeten was. Uiteindelijk zou de tijd er, langzaam maar onverbiddelijk, zelfs de namen van mijn hele familie uit wegslijpen, totdat er slechts een verweerd oppervlak restte.

Ik veegde met mijn mouw mijn neus af. Waar ging je heen als je naam werd uitgewist? Hoe kon iemand je dan nog roepen?