Mislukkingen en catastrofen van een kleine schilder; Emile Schuffenecker en zijn 'Van Gogh's'

De naam van Emile Schuffenecker valt steeds weer in verband met de omstreden Van Gogh's. Een beroepsvervalser was de 'kleine, beklagenswaardige schilder' zeker niet, meent Schuffenecker- kenner Jill Grossvogel. Maar “het tijdelijk bezit van zestig cruciale Van Goghs kan Emile Schuffenecker gelegenheid hebben gegeven zijn eigen Van Goghs te maken.”

Een kleine, gemelijke schildersman staat in de hoek van zijn atelier. Bijna als een bediende die de bestelling opneemt van de statige, mooie vrouw die met haar twee goed geklede kinderen het tableau domineert. Het is zijn echtgenote. Liefde is niet het woord om de situatie te beschrijven. Gauguin, die het als huisvriend kon weten, volstaat rechts onder in de hoek met de iets te groot geschilderde woorden 'Souvenir à ce bon Schuffenecker, 1889'.

Het merkwaardige schilderij hangt op de bovenste verdieping van het Musée d'Orsay in Parijs, in het meestal rustige zaaltje gewijd aan de School van Pont-Aven. Niet alleen de opdracht is wat plagerig, het hele schilderij is ronduit satirisch. 'Schuff', zoals Gauguin hem noemde, staat erbij als een beklagenswaardige, kleine schilder. Dat was hij misschien ook gebleven als zijn naam de laatste tijd niet bij herhaling was opgedoken in verband met een aantal van Vincent van Gogh's beroemdste schilderijen. Sommige zouden Schuffeneckers kunnen zijn.

Over de schilder Claude-Emile Schuffenecker (1851-1934) is weinig geschreven. In Frankrijk werd pas in 1996 voor het eerst een tentoonstelling aan hem gewijd, in het actieve museum van Pont-Aven, de Bretonse badplaats waar in de jaren '80 van de vorige eeuw rond de dynamische figuur Gauguin schilders als Emile Bernard, Paul Sérusier, Maurice Denis en de Ier Roderic O'Connor bij elkaar kwamen, en ook de Nederlanders Jacob Meyer de Haan, Jan Verkade en Conrad Kickert. Zij zochten in dromerig-heldere kleurvlakken een vervolg op het impressionisme. Gauguin zou naar Oceanië afreizen en wereldberoemd worden.

Zijn vriend Schuffenecker, die één zomer in Bretagne had geschilderd, bleef achter, de organisator, de contactenlegger. Hij was een bekende figuur in de Parijse kunstwereld, zijns ondanks meer als verzamelaar en handelaar dan als schilder. Een rusteloos mens, met een scherp oog voor kwaliteit en aanstormend talent. Naarmate de jaren verstreken en roem uitbleef werd hij ook jaloers. Hij verdiepte zich steeds meer in de theosofie van Madame Blavatsky, in het socialisme, in 'het ideaal van de kunst', en riep zijn vrienden op het egoïsme af te zweren. Het belette niet dat de bitterheid greep op hem kreeg.

In een brief gedateerd 26 september 1921, in het bezit van de Fondation Custodia (de stichting van wijlen Frits Lugt) in Parijs, fulmineert hij tegen “die platbodem Cézanne die men al jaren voor ons optuigt. (-) Cézanne was oprecht en bescheiden, tot men van hem een grensverleggende meester maakte, - een soort God. Een idool om van zijn voetstuk te stoten! We hebben te maken met een Augiasstal en niemand die er de bezem doorhaalt. O, was ik Heracles maar!”

Schuffenecker maakt niet duidelijk wie zich nog meer schuldig maakten aan “het bevuilen van het altaar van van de Godin”. Hij schrijft zijn vriend Jules Bois, auteur van zweverige boeken: “Ik ben te oud om nog een kreet van verontwaardiging te laten horen en het noodzakelijke protest aan te tekenen.”

Maar wat kon hij er in werkelijkheid zelf van? Uit de catalogus van 1996 komt een bekwaam schilder en tekenaar naar voren, die met een klassiek-geschoolde achtergrond een deel van de weg naar nieuwe uitdrukkingsvormen aflegde met zijn tijdgenoten. Het museum Kröller-Müller bezit een pront stilleven van hem, en vooral het Portret van Madame Bernard (1890, in particulier Amerikaans bezit) laat zien dat Schuffenecker als hij wilde ook een eind met de Nabis (Vuillard, Bonnard, Denis, Vallotton) mee kon komen. Hij haalt examens als teken- en schilderdocent, maar wordt geweigerd op officiële Salons. Dat overkwam de besten. Schuffenecker exposeerde in 1884 op de Salon des Indépendants, gaat om met Manet, Pisarro en geeft Gauguin herhaaldelijk onderdak. Hij neemt deel aan een Parijse expositie georganiseerd door Vincents broer Theo van Gogh en is zelf de drijvende kracht achter de bekend geworden impressionistische en symbolistische tentoonstelling in Café Volpini, op de wereldtentoonstelling in 1889. Zomer 1890 maakt Van Gogh in Auvers-sur-Oise een eind aan zijn leven.

Breekpunt

Die dood lijkt een breekpunt in Schuffeneckers leven te zijn geweest. Ook al gingen zij niet met elkaar om, Schuffenecker wist dat de even miskende Van Gogh een groeifonds bij uitstek was. “Zijn manier van praten over Van Gogh was anders dan over andere tijdgenoten, zoals Gauguin, zijn vriend”, zegt Jill-Elyse Grossvogel. Zij is een kenner van Schuffenecker als geen ander. Ze heeft gedoceerd aan Cornell University in Ithaca, New York, organiseerde in 1980 in New York een tentoonstelling over de schilder en werkt sindsdien aan de dit jaar verschijnende 'catalogue raisonnée' van Schuffenecker. Zij schreef ook de catalogus van de Franse Schuffenecker-tentoonstelling. Haar is opgevallen dat zijn schilderen en schrijven sinds Vincents dood sterk gaan afwijken van vroeger. Hij produceert minder schilderijen en klaagt in zijn brieven meer over zijn gezondheid. Schuffenecker schrijft bladzijden vol over een nieuwe en betere wereld, maar zijn tentoonstellingen vulde hij vooral met oud werk. Wat hij maakte, ging vaak de kant van het symbolisme op: profeten, diepzinnige bossen en rotspartijen. Hij introduceerde Emile Bernard aan zijn vriend Odilon Redon, een leidende figuur in het genre.

Anne Distel, conservator van het Musée d'Orsay, organiseert voor dit najaar een 'dossier'-tentoonstelling rond dokter en zoon Gachet, Vincent van Goghs steun en toeverlaat in zijn laatste maanden. Van Gogh's portret van de dokter kwam in de belangstelling door een kritisch artikel van Benoit Landais. Distels 'dossier' is bedoeld “om een eind te maken aan alle geruchten die zijn ontstaan door publicatie in Connaissance des Arts van een studie die de authenticiteit van Van Goghs schilderij van dokter Gachet in twijfel trekt”, aldus directeur Henri Loyrette. Er zullen de resultaten van laboratorium-onderzoek en veel authentieke documenten te zien zijn. Distel gelooft voorlopig niet zo in al die vervalsingsverhalen. De stelling dat Schuffenecker in de jaren na Vincents dood nogal wat van diens zogenaamde late werken heeft geschilderd noemt zij 'zwak'. Maar ze is geen Schuffenecker-specialist.

Dat is Cathérine Puget wel. Zij is de conservator van het museum in Pont-Aven. Ook zij reageert laconiek op de geruchten. Het bestaan van kopieën vindt zij op zich geen probleem. “Je zag toen kopieën van alle kunstenaars. Ik heb valse Gauguins, Sérusiers en Bernards in mijn kaartenbak staan. Het zou me niet verbazen als er ook een paar valse Van Goghs in omloop waren. Schuffenecker kan die kopieën gemaakt hebben, maar niet gesigneerd en niet verkocht. Emile is onschuldig. Verkopen? Dat heeft zijn broer Amédée gedaan, een voormalige wijnhandelaar, dat was een schoft. Die verkocht overal in Europa, die had regelmatig 'nieuw werk' nodig. Dokter Gachet heeft ook naar Van Gogh geschilderd, dat was toen normaal. Anderen hebben het mogelijk gesigneerd en verkocht. Maar ik ben geen van Gogh-specialist.”

Jill Grossvogel vertelt dat zij zich tijdens haar diepgaande onderzoek naar leven en schilderwerk van Schuffenecker niet voortdurend heeft afgevraagd of hij “een tweede klas schilder en een eerste klas vervalser” was. “Ik kwam wel af en toe tegenstrijdige feiten tegen. Daar heb ik twintig jaar niets mee gedaan. De ophef rond de verkoop van Van Goghs 'Tuin in Auvers' [zowel over het eigendom als over de authenticiteit onstonden affaires in 1996, red.] heeft me diep geraakt. Ik moest al mijn aantekeningen in een nieuw licht bekijken en ontdekte bepaalde gaten in Schuffeneckers biografie. Die heb ik nog lang niet alle opgelost.”

Sluw

In The Art Newspaper van september 1997 heeft Grossvogel een gedocumenteerd overzicht gegeven van Schuffeneckers levensloop, verweven met die van zijn sluwe broer waar hij de pest aan had, maar aan wiens (misschien chanterende) greep hij niet meer ontkwam. Zij beschrijft hoe Emile Schuffenecker na zijn scheiding in 1904 zijn in hedendaagse prijzen onbetaalbare verzameling werken van tijdgenoten (Renoir, Gauguin, van Gogh, Bernard) te gelde moest maken. Koper: broer Amédée Schuffenecker, 'om de collectie in de familie te houden'. Niet veel later komen de meeste doeken op de markt; door voortdurende wisseling van titels en herkomstgegevens is moeilijk te volgen wat waar naar toe gaat. Tragi-komisch detail: er zitten ook 'echte Schuffeneckers' tussen.

Maar de aandacht gaat vooral uit naar de onechte Van Goghs. Grossvogel schrijft dat de Schuffeneckers samen wel zestig nu als 'Van Goghs' aangemerkte schilderijen op enig moment in hun bezit hebben gehad. In 1906 legden de broers in Amsterdam een bezoek af aan de weduwe van Theo, Johanna Van Gogh; daaromtrent bestaan nog veel vragen. Duidelijk is dat het tijdelijk bezit van zoveel cruciale Van Goghs Emile Schuffenecker gelegenheid kan hebben gegeven zijn eigen Van Goghs te maken. Grossvogel sluit uit dat Amédée vervalsingen heeft geschilderd. Ze zegt: “Daar was hij niet toe in staat; hij was geen kunstenaar. Hij kan hoogstens de handtekeningen hebben geschilderd. Degenen die zeggen dat Amédée de vervalser was, zitten er helemaal naast. Zij weigeren de overweldigende indicaties onder ogen te zien die veeleer naar Claude-Emile wijzen, ondanks het feit dat het in het begin niet zijn opzet was vervalsingen te maken.”

Zij laat zien hoe “de mislukkingen en de catastrofe van mijn leven”, zoals Schuffenecker het noemt in een brief uit 1921, hem ertoe kunnen hebben gebracht zich op de wereld te wreken door andere 'meesters' te produceren. Om na 1904 zijn alimentatie en het chaotische nageslacht van zijn broer te onderhouden, maar vooral om aan te tonen hoe wreed en willekeurig het financieel uiterst relevante oordeel van 'deskundigen' is.

Was hij in staat tot de top-falsificaties waar de wereld nu over maalt? Jill Grossvogel: “Ik kan me voorstellen dat er enkele Schuffeneckers als Van Goghs in omloop zijn, maar waar het om gaat is dat nauwkeurig moet worden vastgesteld wat de omstandigheden waren die hem ertoe kunnen hebben gebracht. Het grote probleem van het moment is dat zij die zich uitgeven voor 'deskundige' zich alleen maar in staat verklaren om de echtheid van doeken vast te stellen die ze misschien vroeger of later zullen moeten verkopen. Het debat moet worden verbreed. Wie is de auteur van een kunstwerk? Degeen die zegt dat hij de auteur is, of degeen die het met zijn eigen handen heeft gemaakt? Wat is een kopie? Is daar de opzet om te vervalsen voor nodig? Wie is de autoriteit die mag zeggen wat waarheid is?”

Schuffenecker, die zich in een brief van 20 maart 1896 beklaagde over de 'absolute stilte in de pers' over zijn laatste tentoonstelling, haalt de schade aardig in. Maar voorlopig blijft gelden wat hij 99 jaar geleden een academie-leerling toebeet: “Denk je dat het makkelijk is om deze rotzooi van kritiek te moeten voorzien, als je had gehoopt een Cézanne, een Van Gogh of een Gauguin te worden?”