'Hockeycoach is tegenwoordig geen bijbaantje meer'

Zondag wordt de hockeycompetitie hervat. Zeven van de twaalf clubs uit de hoofdklasse nemen afscheid van hun coach of hebben dat al gedaan. “De tijd van de gymnastiekleraar is voorbij.”

ROTTERDAM, 13 FEBR. Hij voelt zich vereerd, maar Donald Drost, drie maanden geleden opgestapt bij HCKZ, zal vermoedelijk geen trainer-coach van landskampioen Amsterdam worden. Reden: zijn maatschappelijke carrière. “Het is op dit niveau absoluut niet te combineren.”

De keuze tussen sport en maatschappij is een terugkerend dilemma in de hockeywereld. De amateursport vertoont steeds meer professionele trekjes, vooral bij de grote clubs in de hoofdklasse. “De belangen worden almaar groter”, zegt bondscoach Roelant Oltmans. “Hoe groter het succes, hoe groter de druk om het succes te prolongeren. Met alle gevolgen vandien.”

Tophockey is niet langer het domein van de flierefluitende student. Van clubs, spelers en trainers wordt steeds meer gevraagd. Het werk van een trainer-coach in de Nederlandse hoofdklasse, algemeen beschouwd als de sterkste clubcompetitie ter wereld, is de laatste jaren sterk veranderd. Drost: “Wie tot voor kort een paar vrije uurtjes had, wat van sport wist en ook nog een beetje van hockey, die kon meteen aan de slag.”

Volgens Drost zijn er nieuwe tijden aangebroken. “Gymnastiekleraren hebben het rijk niet langer alleen”. Ter illustratie wijst de oud-speler van Kampong op de status van vier coaches in de mannencompetitie. Maurits Hendriks (HGC), Jacques Holtman (Amsterdam), Michel van den Heuvel (Oranje Zwart) en Norbert Nederlof (SCHC) zijn fulltime met hockey bezig. Drost: “Tegenwoordig vergt hockey heel veel specifieke kennis en daarmee tijd. Die jongens zijn niet bij gebrek aan beter professional geworden.”

Internationale normen zetten de toon. “Individuele training was tot voor kort een onbekend begrip. Intussen is dat eerder regel dan uitzondering”, zegt Drost. Drie trainingsavonden in de week en “een praatje op zondag” zijn volgens Drost niet langer toereikend voor een topklassering in de hoofdklasse. “Neem het begeleidingsteam. Die doet tegenwoordig niet onder voor het voetbal.”

De gemiddelde hoofdklassecoach staat tegenwoordig aan het hoofd van een hele rits mensen: van elftalbegeleider tot looptrainer, van keeperstrainer tot fysiotherapeut. Drost: “Dat vergt een andere benadering. Ik noem dat people management. Met de beste wil van de wereld red je dat niet met twaalf uur in de week. Niet voor niets is de rol van de assistent de laatste jaren toegenomen.”

Bondscoach Oltmans trad vorig jaar in vaste dienst van de hockeybond. Hij deelt de mening van Drost. “De coach is langzaam maar zeker een manager geworden, net als in het voetbal. Het is geen bijbaantje meer, al willen sommigen dat nog steeds doen geloven.” Zelf zegt Oltmans beter en vooral “soepeler” te functioneren sinds hij fulltime als coach werkzaam is. “Meer tijd betekent meer voorbereidingstijd. Dat is nodig wil Nederland internationaal de rol blijven spelen die het al jaren speelt.”

Oltmans is een voorstander van professionalisering van het technische kader bij de hoofdklasse-clubs. “Op termijn zou dat wel eens het enig juiste antwoord kunnen zijn op de trend in andere landen. Maar zolang wij succesvol zijn, zullen weinig hockeyers de huidige organisatiestructuren in twijfel trekken.”

De toegenomen werkdruk van de coaches in de hoofdklasse wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door het gebruik van video-analyse. Tot voor kort zaten alleen de bondscoach en diens assistent achter het beeldscherm om de tactiek van de tegenstanders te bestuderen. Met de komst van FilmNet, de voorloper van Canal+ die tot een jaar geleden live hockey op het tv-scherm bracht, ontdekten ook de clubcoaches de voordelen van de video-analyse.

Maurits Hendriks, coach van HGC en tevens assistent-bondscoach, besteedt wekelijks drie tot vier uur (“soms meer”) aan het bestuderen van video-beelden. Drie jaar geleden koos hij op eigen initiatief voor een bestaan als fulltime-coach. “Omdat werk en hobby elkaar in de weg gingen staan. Bovendien leid je een ploeg niet vanuit je bureaustoel naar de play-offs. Dat is onmogelijk.”

Hendriks fungeerde bij Amsterdam twee seizoenen als assistent van Joep Brenninkmeijer. De huisarts uit Amstelveen gaf acht seizoenen leiding aan de vrouwen van Amsterdam, gevolgd door vijf jaar als trainer-coach van de mannenploeg. Brenninkmeijer gelooft niet in fulltime-coaches. “Het video-tijdperk werd mij te machtig, maar voor de rest was het nooit een probleem om het een met het ander te combineren. Bovendien hebben hockeyers het niet zo op fullprofs. Die hebben meer waardering voor iemand die maatschappelijk sterk in zijn schoenen staat.”

Volgens Hendriks kent de professionele begeleiding binnen de huidige structuren haar grenzen. “In de regel gaan spelers om vijf uur rechtstreeks vanuit hun werk naar de training. Denk maar niet dat het in zo'n geval zin heeft om ze op de training te bestoken met een brij aan informatie waar ik drie dagen op heb zitten broeden. Je moet doseren.”