Het paleis wint; 'Les nouvelles salles': het Louvre opnieuw ingedeeld

In elk museum dreigt een gevoel van misselijkheid, stelt K. Schippers vast, zeker in Parijs, in het Louvre, de koningin onder de musea. Niet alleen de hoeveelheid kunst maakt ongemakkelijk, ook de opstelling in de enorme vertrekken.

Les nouvelles salles. Louvre, rue Rivoli, dagelijks 9-18; wo. 9-21.45; di. gesloten.

Wie het Musée d'Orsay aan de zijkant verlaat, ziet schuin over de rivier het Louvre. Op de kade verandert een vergezicht, dat ik net in het vroegere station heb gezien, in een voorspelling. Motregen geeft het Louvre in de voorschemer een grijstint die overeenstemt met een kijk op het slot van Christiansborg, een schilderij dat Vilhelm Hammershoi aan het eind van de vorige eeuw in Kopenhagen maakte.

De schaduwloze gevel met de langwerpige vensters verraadt niets over wat er in het Deense paleis gebeurt. Een smalle brug leidt naar twee poorten die zo te zien zelden worden gebruikt. Dit is Hammershoi's samenvatting van alle gebouwen die iets deftigs bluffen dat onbestemd blijft. Het monumentale lijkt nergens toe te dienen.

Ik kijk naar het Musée d'Orsay met z'n luifels van gebogen glas. Die hingen er ook al toen het nog dienst deed als station. Volgend jaar zal het gebouw door een passerelle, een loopbrug, met het Louvre worden verbonden. Over dit slotstuk van het in 1981 door François Mitterrand aangekondigde Projet Grand Louvre, dat met de recente herinrichting van de Egyptische, Griekse en Italiaanse afdelingen nu bijna is voltooid, kan het publiek vanuit de negentiende eeuw in het station dan nog vlugger naar de tientallen eeuwen in het paleis lopen, of omgekeerd.

Het Louvre, de moeder van alle musea. Ik ga onder I.M. Pei's glazen piramide de grond in. De reusachtige entree doet aan een vertrekhal van een vliegveld denken. Dezelfde echoënde voetstappen en op stille plekken dezelfde koersloze groepjes die met hulpeloze hoofdbewegingen de goede richting proberen te betrappen.

Wat zal het worden, de marmeren trap naar Richelieu, Sully of Denon? Zo heten de over het entresol, de begane grond en twee verdiepingen verspreide hoofdafdelingen. Na het vertrek van het ministerie van Financiën is de mogelijkheid om aan de wand of op de vloer van het paleis iets tentoon te stellen tot meer dan zestigduizend vierkante meter vergroot, ongeveer het dubbele van vroeger.

Op de balie liggen stapels plattegronden. Verschillende kleuren geven aan welk type kunst in een bepaalde zaal kan worden verwacht, ongeveer zoals op een landkaart zee- en rivierklei, duinzand, hoog- en laagveen, löss en andere grondsoorten worden aangegeven. De plattegrond is niet afdoende. Bezoekers schieten suppoosten aan, alsof ze in een vreemde supermarkt lopen en het verdekt opgestelde potje pindakaas niet kunnen vinden.

Veel schitterends staat me hier te wachten en toch is het altijd of er op het oude paleis een doem rust. Er is iets niet in orde, maar wat? Misschien verdwijnt dat gevoel door de nieuwe inrichting. Hoe kan ik die al op de plattegrond nimmer eindigende zalen met Egyptische en Griekse kunst het slimst overwinnen? Eerst iets kleins, dan komt de rest wel, een Grieks beeldje bijvoorbeeld, zo'n bijna abstracte kop met een strakke neus, meer dan tweeduizend jaar voor Christus gemaakt op de Cycladen, een dartele eilandengroep ten zuidoosten van Athene.

Ik bof. Het in 1873 verworven beeld staat maar drie minuten verder in een vitrine. Zou het, nu de afdeling Griekse, Romeinse en Etruskische kunst tot 2.650 vierkante meter is uitgebreid, pas uit een opslagplaats zijn gehaald en maakt het na jaren rust misschien wel z'n tweede of derde debuut? Geen idee of ik het al eens eerder heb gezien. Het voorhoofd van de witmarmeren kop is voorbeeldig glad. Op de punt van de neus en op een wang zitten enkele kringen die de kop eerder verlevendigen dan aantasten. Ze hebben de kleur van ouderdomsvlekken, zoals je die soms plotseling op de hand van een teruggekeerde halfbekende ontdekt.

Kijkhal

Dan begint het weer, er klopt iets niet. Komt het doordat het beeld zich nauwelijks afzonderlijk laat bekijken? Ik zie dat de ravage op de Cycladische kin groot is, putjes en vage strepen, die mogelijk door veelvuldig verplaatsen met als meest logische greep de kin zijn ontstaan, maar tegelijkertijd eist dit nog niet eerder opengestelde deel van het paleis z'n rechten op, net of de zaal er geen genoegen mee neemt alleen als simpele kijkhal te dienen.

Het bochtige plafond hoog boven de kop ziet er bijna te vers uit. De schoonrode gebogen vlakken doen denken aan een gezandstraalde gevel in een met langdurig verkeersvuil bedekte huizenrij. Kijk, in de granieten vloer van deze paardenstallen uit de tijd van Napoleon II is nog steeds het motief van de keizerlijke adelaar te ontdekken. Zijn deze herstelde ornamenten nu zo storend? Nee, iets anders legt op alles wat moet worden bekeken een licht verbod. Ik weet niet wat het is, iets lijfelijks misschien, de schemerige kamer van de schooldirecteur als je onverwachts bij hem moest verschijnen.

Na het entresol gaat de Griekse kunst, in gezelschap van de Romeinse en Etruskische, in de Sully-vleugel op de begane grond door. Deze afdeling telt niet voor niets 3.580 nummers. Wat beneden staat begint nu al te vervloeien met de grappige vondsten die ik hier zie, een godin met een klok onder haar rok, een schoolschrift van negen aanbiddelijk bekraste houten plankjes, de op een papyrusrol geschreven opbrengst van medicijnen en zelfs een glimlachende beker.

Elk ding dat je tegenkomt is beschadigd. Het lijkt wel of de grote schoonmaak in het Louvre ook de welvingen en lijnen van de verzameling heeft geraakt. Schoonheid van het weggepoetste, littekens op zoveel polsen en wangen, tien, twintig vrouwen houden de armen in vitrines over elkaar en dan ineens die op een ooglid bewaard gebleven veeg saffierblauw.

Welke kant op? Ik bereik zonder daar op uit te zijn de aan Romeins zilverwerk gewijde zaal Henri II. De Schat van Boscoreale is hier het pronkstuk, een wijnkan die in 1895 uit een helling van de Vesuvius werd opgegraven. Het reliëf op de zijkant laat zien hoe Victoria een stier offert. Hoog boven de vitrine is de zestiende-eeuwse zoldering met de latere versieringen van Georges Braque minstens zo opvallend als dit zilveren offer.

Schat van Boscoreale, je zilver is meer dan twee eeuwen oud en toch word je door iedere bezoeker hoogstens een halve minuut bemind. In telegramstijl sein je je rondingen, je glimplekken, je offer, de concurrentie van het huisraad uit Romeinse villa's is zo groot, kandelaar met centaur, al die uit zuiver goud gesmede oorbellen, klapstoel van zilver.

Ze zien je in het voorbijgaan, Schat van Boscoreale, zonder dat ze je hebben gezocht zijn ze al weer op weg naar wel zes andere afdelingen die sinds kort, 'bien distinct', heel helder, uit Oosterse oudheden, Egyptische oudheden, Kunstvoorwerpen, Beeldhouwwerken, Schilderkunst en Tekeningen bestaan. En als ze zich door zo'n braaf trefwoord laten leiden belanden ze op een onvoorspelbaar ogenblik in een deelverzameling die het uitgangspunt heeft verlaten. Een door dag- of kunstlicht beschenen collega, Schat van Boscoreale, heeft het dan, net als jij, heel even van de op een strikte indeling hopende taal gewonnen, zonder doel sta ik zomaar voor een goddelijke zwarte kat, zeven eeuwen voor Christus, Egypte, de zesentwintigste dynastie.

Om na een serie geïmproviseerde zijstappen toch weer in Griekenland aan te komen. Een man lapt een vitrine. Onder zijn werk knikt hij vriendelijk naar een vrouw die zich voor een vaas met op de buik twee vrijende mannen heeft opgesteld. Hij verandert een algemeen gebaar in een hoogstpersoonlijke tegemoetkoming. Voor háár maakt hij het glas schoon, nog nooit is het zo helder geweest. Met tientallen anderen werkt hij overdag en 's nachts volgens de regel dat wanneer de duizenden lijsten en vitrines zijn schoongemaakt er gewoon weer opnieuw wordt begonnen, als de lexicograaf die na het laatste z-woord weer aan de a toe is.

Stram

Op 21 december 1997 mocht president Chirac iets te voorbarig afkondigen wat Mitterrand heeft veroorzaakt, Les nouvelles salles, de nieuwe zalen. Terug naar Egypte, dat land is hier sinds vorig jaar thematisch (het dagelijks leven) en chronologisch (de verschillende dynastieën) over dertig Sully-zalen in de Cour Carrée verspreid. 5.000 werken op 4.120 vierkante meter van de begane grond en een verdieping hoger nog eens 810 werken op 1.070 vierkante meter. De opmars der Egyptische heersers, goden en profeten met hun beangstigend stramme namen is niet te stuiten, Nefertari, Toetanchamon, Ramses, Osiris, Merenptah. Daar staan ze, in het echt. Amenhotep, IV-Achnaton, 't smalle gezicht met de dikke lippen 1350 jaar voor Christus, even verder een rij van zes witte sfinxen uit de tijd van Nectanebo I, de dertigste dynastie en dan een naamloze profeet, bijna vierduizend jaar oud.

“Vrolijke lui, die Egyptenaren”, roept een bezoeker in de grafzaal. De in felle popartkleuren geschilderde doodkisten hebben zoveel voetruimte dat het lijkt of er een weegschaal is meebegraven. Rechtop staan ze zo dicht bij elkaar dat de hele groep iets krijgt van anonieme passagiers op een tramhalte.

In de Galerie Henri IV loop ik in het vensterlicht langs enkele zuilen van Egyptische tempels naar het meer dan drie meter hoge standbeeld van een onbekende koning. De vorst staat er verloren bij. Het is nog te begrijpen dat de Cycladische kop, de schat van Boscoreale en de goddelijke kat het nooit lang tegen het paleis kunnen opnemen, maar de godinnen, farao's en profeten zouden het met gemak van de Cour Carrée moeten winnen. Toch gebeurt dat niet, zelfs niet in de eerste Egyptische zalen die in 1827 met allegorische plafonds speciaal voor de nog groeiende verzameling werden ontworpen.

Wordt de doem waaraan geen ding in het Louvre ontkomt veroorzaakt door de verraderlijke grootte van iedere zaal? De monarchie nam in de zeventiende eeuw de wijk naar Versailles en toch heeft de macht het paleis nooit verlaten. Hoe vaak ze intussen ook zijn verbouwd, je merkt nog steeds een eigenschap die alle zalen overkoepelt. Misschien mochten ze nooit geheel worden gevuld. Een deel in ieder vertrek moest brak blijven, voor niets bestemd, net of de hoogste in rang binnen wilde laten zien dat hij met die overbodige afmetingen zelfs de zonnegoddelijke ruimte de baas was.

Ik sta voor een ander voorbeeld van Franse roofkunst. 't Is een portier van een Egyptisch paleis die 1300 jaar voor onze jaartelling in hout werd uitgesneden. De aanzet van een buik bloest over een strakke rok. Meteen daarachter zie je drie, vier andere halfnaakte Egyptenaren met dezelfde buik over dezelfde rok en wordt het uitzonderlijke algemeen. Juist dit nauwkeurige gebruik van Les nouvelles salles staat averechts op de koninklijke overmaat. Zo dienend zou een vorst nooit een paleis vullen. Alleen een tot de kunsten opgeklommen burger probeert geen plekje ongebruikt te laten en dan nog is de ruimte tussen de verschillende collecties oppermachtig.

Bedrieger

Een schoolreisje schiet naar binnen, het hartebloed van elk museum. De leerlingen hebben allemaal een gekleurd plastic toestel bij zich en beginnen de farao's te fotograferen. “Waar is de bedrieger?”, vraagt een man die boven de kinderen uitsteekt aan een suppoost. “De bedrieger met de kaarten.”

Op zoek naar Frankrijk is hij in Egypte verdwaald, maar hij weet wat hij wil. De suppoost weet het ook.

“De la Tour bedoelt u. Uitgeleend aan het Grand Palais. Z'n grote overzicht is net afgelopen. Over een paar weken is de bedrieger hier weer terug.” En om nu vast de goede richting aan te geven wijst hij langs het standbeeld van Ramses II naar een ontbrekend kunstwerk in een onzichtbare zaal.

In elk museum dreigt onvermijdelijk een gevoel van misselijkheid. Zeker in het Louvre, alles is zo dreinend gelijk mooi. Je moet het als een warenhuis zien, kom voor één of een paar dingen, zoals die man voor de bedrieger met de kaarten. Wie toch alles in zich op wil nemen, wordt zo moe dat hij al die kunst begint te haten. Hier zou nog eens een verboden Nul-idee uitgevoerd moeten worden. Henk Peeters stelde ooit aan Sandberg voor het hele Amsterdamse Stedelijk vol mist te spuiten, maar de directeur weigerde. De kunstmist zou schadelijke stoffen kunnen bevatten. Hoe zagen Appel en Cézanne eruit als de witte sluier na een maand weer was opgetrokken?

Bij de gemummificeerde dieren is de kijkdichtheid het grootst. De stier, ram, kat, ibis, valk en de andere heilige dieren uit de laatste twee eeuwen voor Christus zijn zo strak omwikkeld dat het lijkt of hun poten en veren maar tijdelijk tot stilstand zijn gekomen. Als de zwachtels worden losgetrokken zullen de dieren wegrennen en opstijgen met een kracht die alleen na tweeduizend jaar rust ontstaat.

In een andere Egyptische paleiszaal lacht een zesduizend jaar oud nijlpaardje met gesloten ogen. Het zadel op z'n kalkstenen rug heeft de vorm van een arena. Nog kleiner is het iets jongere ivoren vrouwenlijf met een lilagrijze fladderjurk die vooruitloopt op de new look uit het eind van de jaren veertig in onze eeuw. Als ik ernaar kijk bestaat tien, twaalf seconden lang alleen dit ene beeldje, zijn de andere zalen leeg, wordt het ivoor door een heel paleis omhuld. Even later begint het gevecht tussen de koninklijke vertrekken en alles wat daar is uitgestald en opgehangen opnieuw.

De eens volgehangen Italiaanse galerij is in een vlaag van evenwichtsgevoel gewied. Er is veel plaats op de wanden vrijgekomen en toch maakt dat de lange gang met bijbehorende zaal (180 werken uit de zestiende en zeventiende eeuw op 1.850 vierkante meter) niet rustiger. De paleisgang wint het. Boven de vier seizoenen van Giuseppe Arcimboldo is het zo leeg dat de jaargetijden het tegen te veel onbedekte meters moeten opnemen.

Sinds het begin van de bouw in de Middeleeuwen hebben de architecten niet alleen macht binnen de muren gesmokkeld. Hoe langer ik door deze overdekte kunststad loop, hoe meer het lijkt dat ze met hun lengtes, hoeken, bochten en hoogtes nog iets anders veroverden, iets tactiels, sensueel bijna dat volledig in het paleis is opgegaan.

Geen beeld, geen schilderij, geen sarcofaag hoeft nog te worden verkozen. Naast dat ene voorwerp lonkt toch altijd iets anders dat met het gelijk van de ouderdom je eerbied probeert af te dwingen. Uit de mooiste voorstellingen zijn soms de laatste jeugdige tintelingen weggestorven. In dit bejaardenhuis van de kunst is elk ding met grote zorg geplaatst en toch ziet het eruit of het een noodlanding heeft gemaakt.

Zelfs de Victoire de Samothrace stijgt niet op. De Griekse legt het met haar hunkerende vleugels en verfomfaaide tuniek af tegen het ongevulde. Zij grenst aan een totale oppervlakte van 161.300 vierkante meter. Niet de duizenden kunstenaars, maar Henri, Charles, Louis, Napoleon en alle andere koningen en keizers regeren hier samen met Mitterrand en Chirac nog steeds over de door hun bouwmeesters in het paleis gelokte Franse ruimte.