Het maken van kunst

'Een beeldend kunstenaar hoeft niet meer a priori iets duidelijk te kunnen, hij hoeft bijvoorbeeld geen perspectief meer te kunnen tekenen. Hij hoeft niet eens meer perspectief te kunnen zien. Een beeldende kunstenaar heeft in onze dagen aan één oog genoeg.' Ik citeer Cornel Bierens, een passage uit zijn openingsrede voor de tentoonstelling Formule 2, over kunst en wetenschap in het New Metropolis. (bewerkte versie in het CS van 30 januari).

Dit is een van zijn stellingen. Een andere: dat de wetenschap, zich specialiserend, naar de hoogste trap van vernauwing streeft, terwijl de beeldende kunst, zich despecialiserend, van nondescripties naar de totale vervaging beweegt. 'I want to Spend the Rest of My Life Everywhere, with Everyone, One to One, Always, Forever, Now' is de titel van een boek, door de Amerikaanse kunstenaar Damien Hirst dat dit doel op een andere manier samenvat. De rede van Cornel Bierens beschrijf ik als een vrolijke, doordachte en nauwkeurige en, vind ik, geslaagde aanval op wat zoveel beeldende kunst voorstelt. Daarom is het merkwaardig dat hij nu, een paar weken later, nog niet onder de replieken is bedolven. Maar het is eerder gedaan en toen gebeurde er ook niets. W.F.Hermans heeft tientallen jaren geleden een essay geschreven, De lange broek als mijlpaal in de cultuur waarin hij de zienswijze verdedigde dat het kunnen en de kunst zich van elkaar verwijderen. Het was in de tijd dat Grandma Moses als genie in het Stedelijk Museum werd binnengehaald. Van Grandma Moses hoor je niet veel meer, maar talrijk zijn haar nakomelingen.

Het vraagstuk is dus niet, wat kunst is (de beste definitie: alles wat als kunst is bedoeld) en evenmin wat slechte, gemiddelde, goede en geniale kunst is (want daarvoor bestaat geen maatstaf). Het gaat over de vaardigheden die een beeldende kunstenaar 'in onze dagen' moet hebben om kunst te kunnen maken. Antwoord: geen. Natuurlijk, er zijn genoeg kunstenaars die met hun talent en hun verworven vakmanschap prachtig of lelijk werk maken. Maar het verworven vakmanschap is in de kunst in het algemeen een extra. Dat zou het vraagstuk kunnen zijn, maar is het niet.

De toestand wordt dramatisch weergegeven in de éénacter van Yasmina Reza, Kunst. Het probleem is een abstract schilderij, wit op wit, waarover drie vrienden ruzie krijgen nadat een van hen, Serge, het zich voor een fortuin heeft aangeschaft. Nadat alle commentaar van alle kanten is uitgesproken, voltrekt zich de ramp: de verbitterde Marc vergrijpt zich aan het wit door het met een viltstift te bewerken. De gedachtenwisseling over kunst en wat het is, eindigt in een daad van terreur tegen de kunst en houdt daarmee op, nog gedachtenwisseling te zijn.

Het is alweer bijna vergeten, maar het blijft eigenaardig dat in Nederland de 'discussie over kunst' plotseling meer leven werd ingeblazen nadat een gestoorde zijn mes in het doek van Newman had gestoken. Het leek me juist een ogenblik, het debat te staken om alles wat kunst is te verdedigen. Als er mensen komen, geschift of niet, wier uitgangspunt is dat sommige kunst met geweld moet worden behandeld omdat er 'ontaarding' wordt gesignaleerd, zijn we in een ander tijdvak met andere prioriteiten terecht gekomen. Dat is een ander onderwerp; hier niet aan de orde.

Er is nog een verhouding tot de hier bedoelde kunst die wordt samengevat in de formule 'Dat kan mijn tante ook'. Er zijn heel wat mensen in wier hoofd het niet zou opkomen ook maar een speld in een hun onwelgevallig kunstwerk te steken, maar die een begaafde tante hebben. Het verschil tussen haar en de kunstenaar is dat zij nooit de aanvechting heeft gehad om kunst te maken. Ook de tante is geen uitgangspunt voor discussie.

Welk dan wel? Het uitgangspunt waarbij de kunst diep ernstig wordt genomen, waarna je kunt vaststellen dat je er niet per se een vakman voor moet zijn om een oeuvre te vervaardigen, maar dat er wel een toren van pretenties op dat geheel kan rusten. Ik loop de galerieën af. Ik zie installaties, veel installaties, mixed media, performances, absolute toestanden, illuminaties, geconceptualiseerde landschappen, weer eens een monochroom, structuren, bewijzen van neo-activisme, ejacta's en nog het een en ander. Ik lees de toelichtingen en wat de kritiek ervan vindt. Misschien heb ik hier en daar iets mooi of interessant gevonden, maar wat ik - blijkt achteraf - allemaal gezien heb: het is niet te geloven. Bierens spreekt over 'de gretigheid waarmee de kunst op de schouders van de wetenschap probeert te klimmen'. De kunst niet alleen. De kunstkritiek kan er ook iets van. Ik beroep me op Swift, de reizen van Kapitein Gulliver, zijn bezoek aan het zwevende eiland Laputa. De geleerden daar zijn zo verdiept in de ontraadseling en uitbreiding van hun eigen hersenspinsels dat ze door een hulpje met een opgeblazen varkensblaas op hun hoofd moeten worden geslagen als het tijd is voor de boterham. Zo'n hulpje, om te beginnen.