Gevoeligheid voor het kwaad

Wouter Godijn: Witte tongen. Contact, 338 blz. ƒ 39,90

'Je kunt je niet een leven lang voor mij verschuilen. De gedaante die ik vanavond, speciaal voor jou, heb aangenomen, is onsterfelijk.' Dit zegt Odo de Ridder tegen zijn psychiater, die hij, na een weinig succesvolle therapie, 's avonds thuis komt lastigvallen. De patiënt Odo en zijn psychiater Gerard Burgt zijn de twee hoofdpersonen in Witte tongen, de debuutroman van de Groningse schrijver Wouter Godijn (1959). De twee lijken elkaars tegendeel te zijn: Burgt noemt zichzelf 'een held die het kwaad bestrijdt', en Odo, een gesjeesde filosofiestudent wiens moeder pas is overleden, lijkt juist gefascineerd door het kwaad. Hij gelooft niet in geestelijke gezondheid: 'Je kon alleen geestelijk gezond zijn door niet tot je door te laten dringen wat er om je heen gebeurde - de meest voorkomende vorm van waanzin die daarom als normaal werd beschouwd.'

Tijdens hun tweede gesprek in de psychiatrische kliniek van het academisch ziekenhuis van Groningen wordt de tegenstelling tussen de twee mannen op de spits gedreven. Odo is trots op zijn gevoeligheid voor het kwaad. Hij zou wel gelukkig willen zijn, maar niet als hij die gevoeligheid zou moeten opofferen. In een gedicht heeft hij de mens die naar geluk streeft zonder zijn ogen te sluiten voor het kwaad, vergeleken met een 'witte tong', een 'vuurtong'. Het is de mens die zich uitstrekt om te kunnen samenvallen met wat hij voor zich ziet, iets wat hij lijkt te kunnen zijn.

Het eerste hoofdstuk heet 'Mister Hyde, I presume?'. Het is niet moeilijk om in Burgt en Odo Dr. Jekyll en Mr. Hyde uit R.L. Stevensons roman uit 1886 te herkennen. Dr. Jekyll scheidt de goede en de kwade helft van zichzelf: door middel van een drug verandert hij in de duivelse dwerg Mr. Hyde. De 'kwade' drugsgebruiker Odo en de 'goede' psychiater Burgt zijn al gescheiden; dat ze in elkaar een deel van zichzelf herkennen vermoedt Odo als eerste, als hij zegt: 'Iedereen heeft een zwakke plek. Misschien ben ik de jouwe.'

Burgt brengt het monster in Odo tot leven in plaats van hem te genezen. Hij maakt een grote fout als hij zegt dat hij Odo begrijpt, want, zoals Odo zegt: 'Om iemand echt te begrijpen, zou je net zo moeten zijn als hij'. De jongen ontsteekt in woede en vertelt dat hij het gezicht van god gezien heeft. De huid van het mooie gezicht barstte open en in de openingen krioelen de doden en gewonden. Burgt herkent die voorstelling, maar hij zag ook gelukkige, levenslustige mensen uit het gezicht kruipen.

Beide personages ontkennen dat ze in god geloven. Toch heeft het probleem waar ze mee worstelen veel weg van de oude theologische kwestie van de theodicee: hoe zijn de almacht en goedheid van god te verenigen met het kwaad in de wereld? Of, in een wereld zonder god: hoe kan iemand die gelukkig is en het leven mooi en goed vindt, iemand als Burgt, het kwaad rechtvaardigen?

In de volgende hoofdstukken maken we kennis met de stotterende vriendin van Odo, Bernadette, die net als de andere personages is opgezadeld met een moeilijke jeugd. Ze hoopte in Odo haar ridder op het witte paard gevonden te hebben, maar na de dood van zijn moeder is hij veranderd in een onberekenbaar figuur. Vroeger wilde hij een held zijn, maar nu het verschil tussen goed en kwaad voor hem betrekkelijk is geworden kiest hij voor het kwaad. 'Een witte ridder kan veranderen in een zwarte ridder.'

Odo lijdt aan het 'Frits van Egters-syndroom': hij slaat zichzelf voortdurend gade, en levert commentaar in gedragen taal: 'Belachelijk: ik ben een nietswaardige pissebed. Moge de toorn van de hemelmachten mij treffen en mij van de aardbodem wegvagen.' Odo ziet zichzelf als een vreemde, hij voelt steeds minder verantwoordelijkheid voor zijn daden. Dit maakt hem, samen met zijn nihilistische denkbeelden, tot een explosieve figuur.

In het centrale hoofdstuk brengt de gedrogeerde Odo met twee vrienden, de immer afkickende Freddy en de bruut 'monkeyman', een onverwacht huisbezoek aan Burgt. Het doet denken aan een gewelddadige scène uit de film A Clockwork Orange. De jongens willen de boel bij de 'shrink' eens lekker op stelten zetten. Monkeyman vergrijpt zich aan de vriendin van Burgt, Odo schopt de psychiater in elkaar en bedreigt hem met een pistool.

De twee zonderen zich af in de badkamer, wellicht een verwijzing naar het laboratorium van Dr. Jekyll, waar Mr. Hyde op het eind dood wordt gevonden. Odo heeft Burgt willen confronteren met het kwaad: 'Wil je van het leven houden? Dan zul je ook van mij moeten houden.' Als echter blijkt dat Burgt niet de blinde optimist is waar Odo hem voor hield, besluit hij hem niet dood te schieten. Burgt herkent plotseling in Odo zijn ander-ik, de donkere gestalte waar hij zijn hele leven bang voor was, en zegt: 'Eigenlijk doe jij me soms een beetje aan mezelf denken.' Dan schiet een witte tong uit het pistool: de twee worden verbonden door een 'lint van vuur'.

Witte tongen is een ingewikkelde roman vol verwijzingen, subtiele verwantschappen tussen de personages en perspectiefwisselingen, met de onderhuidse spanning van een thriller. De auteur schrijft op een heldere, aanschouwelijke manier, en maakt veel en goed gebruik van dialogen; alleen sommige innerlijke monologen zijn te lang uitgesponnen. Het boek behandelt een ironische manier het oude thema van goed en kwaad, en ondanks al het moraalrelativisme lijkt het erop dat het goede toch het laatste woord heeft.