Gesprek bij de cacao

De mannen waaruit ik besta zaten vredig bijeen. “Dit is té vredig” zei een van hen, “dit is de vrede van 'Elf uur Blooker's tijd', herinneren jullie je die reclame voor cacao? Er komt niets van ons terecht wanneer we 's morgens om elf uur al cacao gaan drinken. Onze ouderdom wordt erdoor verpest. Onze sprankelende ouderdom...”

Een ander zei, langzaam, vredig: “Het suffen, het soezen. Zo'n heel brein is vol gedachten en beelden, en als je ze rustig hun gang laat gaan, je er vooral niet mee bemoeit, krijg je opeens een inzicht, voel je een heftige emotie, merk je dat je glimlacht. Ik vind dat interessant.” Een derde zei: “Do not go gentle into that good night”, en we hoonden hem door in koor de tekst aan te vullen: Rage, rage against the dying of the light. Hoor eens, kom niet met Dylan Thomas en zijn stervende blinde vader tijdens Blooker's uurtje. Ben je helemaal gek! Wie suffen wil suffe. En als hij er iets moois van weet te maken, des te beter!”

”Ja”, zei de tweede. “Een kleine schreefloze letter op glansdruk, dat is wel het beroerdste lezen voor een oud oog, en dan nog een saaie tekst. Je prevelt Bloem na, “Laat het boek ongelezen, wie die 't deert”, en tot je verbazing suf je ineens over het libido van Bill Clinton, het aangename van fellatio, orale seks, pijpen, de ego's, de alfa's, de omega's, de...” “En zo”, zei de eerste, “sufte hij zich zouteloos associërend in slaap. Suffer pleidooi heb ik nog nooit gehoord.”

“Luister”, zei een ander. “Ik heb urenlang zitten suffen over het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam, waarvan we in 1937 of 1938 als volkomen mislukte leerling afscheid namen. Aanleiding was de lectuur van een mooi boek, Het Erasmiaans Gymnasium na 666 jaar, dat alweer een tijdje geleden is verschenen. Er staat nogal wat in over de leraren van toen, en ik sufte bijna hardop: o ja, juffrouw Onnes en meneer Kampstra en meneer Veenstra en juffrouw De Beer en meneer Van Rees en meneer Lopes Cardozo. Jongens, ik zweer je, hand op mijn hart, ik sufte met welbehagen. Met welbehagen! Ik, die afschuwelijke jaren op die school heb doorgebracht, ik die er helemaal niet thuishoorde, ik die iedere dag tot zijn ontsteltenis en afschuw fáálde, fáálde, geen pathetische wending is afdoende, ik sufte met welbehagen. Ik smeekte: laat mij, heel even, de ellende van toen opnieuw voelen. Maar nee, ik doezelde vredig, het was voorgoed Blooker's tijd.”

“Onzin”, zei een ander. “Je las nu juist met verbeeldingskracht, je werd zelfs ontroerd, een seniliteitsverschijnsel misschien. Juffrouw dr. Onnes was in jouw dagen van meer dan zestig jaar geleden lerares Nederlands. Onwaarschijnlijk dik, door een ziekte, stug, formeel, zonder enige belangstelling voor literatuur. En nu las je dat ze tijdens de bezetting foute uitspraken deed, geen orde kon houden en na de bevrijding met vervroegd pensioen werd gestuurd. Wat een vreselijk leven moet die vrouw hebben gehad. Je sufte daar niet over, je dacht erover.”

“Ze heeft me geen kwaad gedaan”, zei de vorige. “De leerlingen moesten gedichten opzeggen, uit een saaie bloemlezing van Aleida Nijland. Omdat ik gedichten in het schoolblad publiceerde mocht ik een eigen keuze maken. Ik nam Vormen van M. Nijhoff mee, gaf haar het boek dat ze wantrouwend bekeek en zei 'Het grote lijden' op. Het spijt me achteraf. Ik houd helemaal niet meer van dat gedicht. Ze zei: 'Ik begrijp er niets van. Jij ook niet. Een tien'.” “En meneer Kampstra” zei de ander. “Over hem dacht je na, vooral toen je met schrik een portret van hem had gezien, een man met een lange, brede baard, een ijdeltuit. In dat boek vertellen Leen Stout en dr. E.M. Janssen Perio over hem en zijn lidmaatschap van de NSB. Ze schrijven dat tijdens de lessen niet over politiek werd gesproken. Dat zal zo zijn. Wij, zelfs de leerlingen van de laagste klassen, wisten van zijn standpunt. Weet je nog? Je legde Greshoffs verzamelde gedichten op de bank, opengeslagen bij een van de 'Bruine liedjes': Kleine SA-man, slaap zacht, Hitler houdt immers de wacht, Voor hem heb je pas in de holst van de nacht Een zootje marxistische joden geslacht. Kleine SS-man, 't gaat goed, geen betere meststof dan bloed.

Hij keek ernaar en reageerde niet. Hij was je niet eens ongenegen. Hij was na 10 mei 1940 geen NSB'er meer, lees ik. Hij was blijkbaar een goede leraar. Hij...''

“Mannen” zei een van ons, “het wordt erger dan de eerste spreker dacht. We gaan herinneringen ophalen, en het zijn uiteraard herinneringen die we al zolang ophalen. Erger kan het niet. Ik sla me nu nog op de borst om wat Kampstra eenenzestig jaar geleden de klas toeblafte toen die lachte omdat ik voor de zoveelste keer bij mijn beurt Grieks volkomen fáálde: “Houd je mond. Hij heeft meer talent in zijn pink dan jullie in je hele lichaam.”

“Kunnen jullie je nog één medeleerling herinneren?” “Suf ze bij elkaar” zei de eerste spreker, “suf die hele school bij elkaar, je hele leven, alle rampen, alle hartstochten, alle ellende, alle geluk. Suf erop los, luiaards, cacaodrinkers, het leven een droom en wij binnenkort uitgewist als een fout op een schoolbord.”

“Je hebt gelijk”, zei de tweede, “op die domme manier van je. Ik ben een nieuwsgierig man. Ik kijk en luister graag naar mijn brein wanneer daar van alles beweegt en zingt, ik ben daar graag getuige van en soms schrik ik op en zeg: Hé, dat wist ik niet of niet meer, daar heb ik wat aan. Het is dan of Lazarus zijn wade rijt, om met J.C. Bloem te spreken. Gevaarlijk is het, en verlokkend.” De eerste stond bruusk op en zei: “Hier kan ik geen chocola van maken.”