Franse econoom Elie Cohen: Let niet op onverantwoordelijke uitspraken van politici

De regering-Jospin belooft permanent banen te creëren, liefst drie miljoen tegelijk. Maar Parijs wil ook een hoofdrol spelen in Europa, en de euro is daartoe het middel. Die politiek heeft voorlopig honderdduizenden banen gekost. Elie Cohen, politicoloog en hoogleraar economie in Parijs, over politici die op goede gronden het tegendeel doen van wat ze zeggen. 'Europa is niet voordelig, Europa is Frankrijks bestemming.'

Jean-Claude Trichet, en niet Wim Duisenberg, moet de eerste president-directeur van de Europese Centrale Bank worden. Elie Cohen valt met de deur in huis. Trichet heeft alle vereiste papieren. Hij heeft door dik en dun de strikte monetaire politiek verdedigd die straks van hem wordt gevraagd. “Dat heeft Trichet gedaan onder weinig enthousiaste regeringen van verschillende achtergronden. Het heeft Frankrijk sinds '83 vijf procent groei gekost en 800.000 werklozen extra opgeleverd. Dat vergeven velen in de Franse politieke wereld hem nooit. Hij heeft gedaan waar zij de moed voor misten.”

Misschien heeft Duisenberg ook pal gestaan, maar die heeft in Cohens ogen de onvergeeflijke tekortkoming dat hij uit Nederland komt. “Ik betwijfel of iemand uit een klein land zo'n belangrijke functie in Europa wel kan vervullen. Santer is een ramp. Na tien jaar Delors is er niets meer gebeurd in Europa dan het laten doorgaan van de euro. De akkoorden van Dublin en Amsterdam stellen weinig of niets voor. Moeten we zoiets nog een keer meemaken?”

De vraag of Frankrijk zich na de collectieve toelating tot de euro volgend jaar ook nog aan de criteria van het Verdrag van Maastricht zal houden noemt Cohen “een absurditeit”. Maar eerst legt hij uit waarom Frankrijk die euro zo graag wil. “Sinds de oorlog was ons ontwikkelingsmodel gebaseerd op een centrale rol van de staat bij het stimuleren van de economie. De sterke groei in de jaren '54-'74 was mogelijk dankzij een lage of zelfs negatieve reële rente. In een geleide economie is dat te financieren. We leefden die hele periode met een inflatoir sociaal compromis: de salarissen en de sociale uitgaven gingen automatisch omhoog, gefinancierd door devaluaties. Die vorm van economische sturing heeft van '54 tot '84 uiterst bevredigend gewerkt.

“In '84 besluit men radicaal het roer om te gooien. De hele Franse politiek raakt er van doordrongen dat je niet in één afzonderlijk land een keynesiaanse politiek kunt voeren. De bestuurlijke elite bekeert zich dan tot de 'competitieve desinflatie'. Ze raken dermate bekeerd dat ze bijna gewelddadig een eind maken aan allerlei financiële regels en rompslomp. De Franse big bang van '84 is, afgezien van de Britse, op het punt van financiële deregulering verder gegaan dan waar ook. Een hele serie beschermde activiteiten moeten zich in één keer zelf redden. Het Franse financiële systeem krijgt een enorme tik. De jaren '80 zijn de Franse 'downsizing'-jaren. Het is een industrieel vagevuur. De staalindustrie is in die jaren van 165.000 naar 40.000 man teruggebracht. En dat onder linkse regeringen.

“Mitterrand kiest in '83 duidelijk voor Europa. Hij redeneert dat hij alleen via Europa de noodzakelijke aanpassing van het interventionistische Franse model kan bereiken. Een hoeksteen van zijn politiek vanaf dat moment is een vaste wisselkoers tussen de franc en de D-mark. Een linkse regering maakt een eind aan de indexering van de lonen. De liberalisering zorgt voor spanningen, maar die aanvaardt men in naam van het Europese integratieproces.

“Waarom accepteren de Fransen al die offers voor Europa? De grote verdienste van Mitterrand is geweest dat hij aan de Fransen heeft uitgelegd dat Frankrijk in zijn eentje in de wereld niet meer voldoende gewicht in de schaal legde, dat Europa een nieuwe machtsbasis was. Dat wat Frankrijk in de wereld niet meer alleen voor elkaar kon krijgen het wel zou kunnen realiseren in Europees verband. Vandaar het Franse thema van Europa als grootmacht.

“Het tweede argument was dat van Europa als beschermengel. Mitterrand legde uit dat we veroordeeld zouden zijn tot thatcherisme als we alleen zouden blijven in een universum van deregulering en wereldwijde liberalisering. Europa vormt in die visie een soort schutsluis die een geleidelijke aanpassing aan de wereld mogelijk maakt.

“Het derde argument van Mitterrand was: als we niet meedoen met Europa, dan komt Europa zonder ons heus wel tot stand, maar dan is het een Duits Europa. Het Europese Monetaire Systeem was bezig een soort mark-zone te worden. De franc werd in de visie van sommigen een ontwikkelings-mark, zoals wij de CFA-franc in Frans Afrika hadden. Wij werden het Afrika van Duitsland.

“De financiële technocraten, Jean-Claude Trichet voorop, hebben die visie van Mitterrand in daden omgezet. Dat deden zij door te zeggen: er is één model dat regeringen dwingt financieel gedisciplineerd te handelen en dat is het Duitse model. Dat betekent: scheiding van de monetaire en de begrotingspolitiek. En ten tweede: onafhankelijkheid van de centrale bank.

“De politieke ambitie van de Europese constructie is fundamenteel. Frankrijk draagt monetaire soevereiniteit over aan de ECB, accepteert in de pacten van Dublin en Amsterdam budgetaire discipline - dat kan alleen maar om een gewichtige reden. Die reden is Europa, het Europa van de Europeanen en niet een Duits Europa. Daarom zijn wij bereid de afgesproken macro-economische discipline te aanvaarden. De vraag die u me stelde, of Frankrijk na 1 januari '99 de begrotingsdiscipline weer laat sloffen, is een absurditeit. We treden dit Europa niet om redenen van economische calculaties binnen. We gaan aan Europa deelnemen omdat het een kwestie van bestemming is. Dat vindt men in het buitenland altijd moeilijk te begrijpen.”

Als de medewerkers van premier Jospin midden in de werklozen-crisis zeggen: 'We willen de sociale minima wel verhogen over de hele linie, maar niet nu, want we moeten eerst aan de EMU-verplichtingen voldoen. Volgend jaar. Nadat de euro is ingesteld.' Wat betekent dat dan?

“Dat is een perfecte illustratie van wat ik zeg. Om het Europese idee aan Frankrijk te verkopen hebben alle politici van de laatste vijftien jaar, links net zo goed als rechts, zich verplicht gevoeld aan de lopende band verhaaltjes te vertellen. Ze hebben bijvoorbeeld verzonnen dat de Europese integratie een fantastische groei gaat meebrengen. Dat is niet gebeurd. Ze hebben verzonnen dat we met de instelling van de euro ons werkloosheidsprobleem zouden oplossen. Absurd. Geen enkele politieke groepering in Frankrijk is in staat geweest te zeggen: 'Het Europese integratieproces is kostbaar, pijnlijk en vereist veel aanpassingen, maar we gokken er op dat dit hele proces gunstiger uitpakt voor de Fransen dan de tegengestelde ontwikkeling, niets doen, alleen staan en steeds kwetsbaarder worden voor invloeden uit de buitenwereld.'

“Hoe komt dat? Dat is het Franse model, waar u vast om moet lachen, maar zo is het nu eenmaal, het model van verlicht despotisme. Het is een systeem met regeerders die weten wat goed is voor het volk. Daarom is er nooit een echt debat geweest over Europa. Daarom zegt rechts midden in de verkiezingscampagne van 1993: 'Het is uitgesloten dat we aan de D-mark vast blijven zitten met onze huidige werkloosheid'. Eenmaal aan de macht doen ze het tegendeel. Chirac zei tijdens de presidentscampagne '95: 'We laten ons door Europa niet beperken in de mogelijkheden om de werkloosheid aan te pakken'. Een paar maanden later, als hij aan de macht is, doet hij precies wat hij niet zou doen. Jospin stelde in mei '97 vier voorwaarden voor meedoen met de euro: eenmaal premier gaat hij binnen twee weken door de knieën. Zoals mevrouw Thatcher al zei: er is in Frankrijk geen alternatief voor Europese integratie.

“Omdat een democratisch bestel niet zonder alternatief kan voeren politici in verkiezingstijd grote ideeën op over de daadkracht van de politiek. Als je bedenkt wat Chirac daar over heeft gezegd, dat is puur film. Het is mijn diepe overtuiging dat Fransen niet stom zijn, en zich geen donder aantrekken van wat er wordt geroepen. Ze willen resultaten. Jospin, Chirac en dat soort mensen hoeven zich niet aan hun beloftes te houden, als ze maar iets aan de werkloosheid doen. Daarom ben ik de laatste weken optimistisch. Ik heb het gevoel dat de groei, waar zo smartelijk op hebben gewacht, er nu eindelijk aan komt. Als we een beetje meer economisch herstel krijgen - zelfs als Jospin er niets aan heeft bijgedragen - dan mag hij nog een tijdje doorregeren.

“U zegt: 'Er zijn beloftes over volgend jaar gedaan. Kunnen ze die houden?' Ik kijk daar heel anders tegen aan. Ondanks de druk van de straat en van zijn partijgenoten houdt Lionel Jospin stand en zegt zelfs hardop dat hij werken boven bijstand stelt - een enorme stap vergeleken bij wat links meestal zegt. En u maakt zich zorgen over het risico van een overschrijding volgend jaar... Geef ons liever krediet voor wat we werkelijk hebben gedaan. En let niet op onverantwoordelijke uitspraken van politici. Frankrijk heeft met een ongehoorde hardnekkigheid sinds 1983 één politiek programmapunt nagestreefd: voltooïing van de Europese integratie. Misschien zal de euro in het eerste jaar van zijn bestaan uit elkaar spatten, maar niemand kan ons verwijten dat we zijn afgeweken van de rechte lijn er naar toe. Er is een consensus in de hele politieke, bestuurlijke en vakbondselite. Zelfs Robert Hue vraagt zich af hoe zijn communisten Europees kunnen worden.”

Hoe gaat de economische politiek onder de euro in de praktijk gevoerd worden, als bijvoorbeeld in Italië een veel grotere werkloosheid onstaat dan in het noorden? Wie gaat wat betalen?

“Dat is heel eenvoudig. Een van de mogelijkheden om ongelijkheden op te lossen is mobiliteit van de factor arbeid: Italianen kunnen in Nederland gaan werken. Niet erg waarschijnlijk. Een tweede oplossing is een reële aanpassing van de lonen. Voorbeeld: Oost-Duitsland is niet concurrerend. De meest effectieve oplossing is verlaging van de lonen. Geeft verschrikkelijke problemen, maar volgens de economische theorie is het een aanpak. De derde oplossing heet 'budgetair en fiscaal federalisme'. In die gedachtegang is het moeilijk voorstelbaar dat je één munt en één geïntegreerde markt hebt met een zo belachelijk communautair budget als wij op het ogenblik hebben. Er zal zeker een crisis komen na de instelling van de euro. Het Pact van Dublin kunnen we dan niet toepassen. Denk je eens in dat er grote sociale onrust is in Italië, met massale loonsverhogingen en begrotingstekorten die de drie procent te boven gaan. De EU gaat zo'n land toch niet sommeren terug naar de drie procent te gaan en bovendien straf geven? Dan zullen we ontdekken dat we een federale Europese begroting nodig hebben. Als Californië lijdt onder een scherpe daling in het bewapeningsprogramma komt er een herverdeling van de federale begroting die er voor zorgt dat voor iedere verloren dollar 35 cent terugkomt. Als Finland te kampen heeft met een grote daling van de houtprijs, als Italië te maken heeft met een sociale revolutie dan helpen wij Europeanen onze Finse en Italiaanse broeders. Als we daar niet in slagen, dan betekent dat dat we niet samen willen leven. Dan keert iedereen terug naar zijn eigen, oude plekje en zal de euro-zône uit elkaar vallen.”

Behoort de 'Franse uitzondering' op economisch gebied over een paar jaar tot het verleden?

“Het model met de machtige, alom ingrijpende staat is al voorbij. Fini. Maar of dat een gevolg van Europa is, of dat de belastingbetaler het zich niet meer kon veroorloven? Ik denk het laatste. We hebben ons nationale model niet kunnen redden doordat de staat de laatste twintig jaar niet bij machte geweest hervormingen uit te voeren in de openbare financiën en de sociale zekerheid. Dat was de reden om in Europa de externe stimulans te zoeken om ons te dwingen een aantal aanpassingen uit te voeren. Zo is het gegaan.”

Gaat het beter met Frankrijk dan veel Fransen denken? Zijn die hoge werkloosheidscijfers een kwestie van somberheid? Zijn de Britten en de Nederlanders gewoon wat handiger met hun statistieken?

“Nee, nee. Maar het is een continentaal Europees, geen uniek Frans probleem. Ik ben tot de conclusie gekomen dat Frankrijk drie soorten werkloosheid op elkaar stapelt. Om er uit te komen moeten verschillende benaderingen worden gecombineerd. De werkloosheid in Frankrijk is in een rechte lijn gestegen sinds 1970, ongeacht de fase in de economische cyclus. De VS had in '60 een hogere werkloosheid, maar die volgde de economische cycli. De onze blijft groeien, ongeacht de gevolgde politiek. En toch geven we er 500 miljard francs aan uit. De eerste periode in de Franse werkloosheid loopt van '70 tot '81. Daarin loopt de groei gestaag terug. Men doet niets om de begroting of de sociale uitgaven aan te passen. Tijdens de regering-Giscard ('74-'81) neemt het beslag van de overheid op het bruto binnenlands produkt met zeven procent toe, één procent per jaar. Elders ziet men Giscard als een groot liberaal. Voor mij is het de ergste etatist, dirigist, idioot die we de laatste vijftig jaar in Frankrijk hebben gekend. De werkloosheid steeg die periode doordat men de arbeidskosten sterk liet oplopen. Aan het eind van de periode-Giscard hadden we 1,4 miljoen werklozen.

“Dan volgt de periode-Mitterrand. In '82 staan veel ondernemingen op de rand van het failliet, of ze nu publiek of privé eigendom zijn. '82-'91 is de tijd van ingrijpende aanpassingen. Grote ondernemingen verkleinen hun schuldpositie, herstructureren en afslanken. De rentabiliteit neemt weer toe. De werknemers maken op grotere schaal kennis met werkloosheid; de lonen blijven achter. Mitterrand is een vat vol tegenstellingen, maar zeker ook een excellente man van rechts geweest. Hij is het die de conservatieve revolutie in Frankrijk in 1984 voltrekt. Ik weet niet zeker of hij zich dat realiseerde. Maar de mensen om hem, Fabius, de Trichets, die honderd procent privatiseringen hebben doorgevoerd, wisten heel goed waar ze mee bezig waren. De werkloosheid uit die periode is de klassieke aanpassings-werkloosheid.

“De derde soort werkloosheid, die ontstaat vanaf 1991, is de Europese werkloosheid, horend bij zowel de Duitse hereniging als de voming van de euro. Door de franc aan de D-mark te koppelen krijgen we te maken met de ongelooflijk hoge rente die daar bij hoort. De vraag wordt vermorzeld, het krediet beperkt, terwijl we een wanhopige behoefte hebben aan groei. Als wat ik zeg juist is, dan gaan we die laatste soort werkloosheid wegwerken, dat is 3 procent [op de 12,4 procent]. Mits de groei doorzet. De resterende bijna 10 procent is structureel: te hoge arbeidskosten, een te hoog niveau van overdrachtsuitgaven. Dat los je niet op met meer flexibiliteit. Het enige wat er op zit is het terugbrengen van de overheidsuitgaven, met inbegrip van de sociale zekerheid.”

Zal het Europese blok zich kunnen blijven veroorloven socialer te zijn dan het Amerikaanse of Japanse blok?

“Ja, om een eenvoudige economische reden. Als Europe Incorporated eenmaal een feit is dan hebben we een heel laag afhankelijkheidspercentage ten opzichte van de buitenwereld, tien procent of zo. Dus zelfs een devaluatie van de euro van vijftig procent heeft maar een effect van vijf procent op het inkomen van de mensen. Dat is het belang van Europa. We verkleinen onze afhankelijkheid van de rest van de wereld. We worden een grote binnenmarkt. In dat opzicht gaan we op de VS of Japan lijken. Japan is ook weinig kwetsbaar voor schokken van buiten. De VS is een verhaal apart. De dollar is de wereldmunt. Daardoor kunnen de Amerikanen zich van alles veroorloven. Maar als de euro het tien of vijftien jaar uithoudt, zal de dollar daar onvermijdelijk gewicht door verliezen. Een economische zône als Europa, die kapitaal uitvoert en een structureel export-overschot heeft, terwijl Amerika en Japan systematische importbehoeften houden, moet met de euro op den duur een belangrijke munt in handen hebben. Het zal alleen tijd vergen.”

Het doel heiligt soepel opvatten van de criteria?

“Wat me frappeert als ik Duitse of Nederlandse economen ontmoet is dat zij menen een dergelijke onderneming op strikt economische criteria te kunnen beoordelen. Wel, op strikt economische gronden zou Frankrijk tussen '81 en '97 nooit de politiek hebben moeten volgen die het heeft gevolgd. Het is een lijdensweg geweest.”

Zijn er economische redenen om de zwaksten direct al mee te laten doen met de euro?

“De rijpheid van de Italiaanse vakbonden en de intelligentie van de Italiaanse politieke leiders is groter geweest dan die van hun Franse of Duitse collega's. Als je rekening houdt met wat de Italianen allemaal voor elkaar hebben gekregen de laatste jaren zou het schandalig zijn hen er buiten te laten. Hetzelfde geldt voor de Spanjaarden. Duitsland en Frankrijk hebben veel meer tekenen van sclerose en immobiliteit vertoond. De Franse minister van financiën Strauss-Kahn vond het in '97 handig om een tekort van 3,1 procent na te streven. Onzin. Kijk wat de Duitsers hebben gedaan met de herwaardering van hun goudvoorraad. Deerniswekkend. Italië lijdt natuurlijk onder die noord-zuid kloof. Toch slagen ze er beter in hun pensioenprobleem te regelen dan wij of de Duitsers.”

Welke economische gebeurtenis zou Frankrijk tot een afdoende economische hervorming kunnen dwingen?

“De grote hervorming van Margaret Thatcher kwam na twintig jaar voelbare economische neergang. Londen was vervuild, de industrie haar veerkracht kwijt. Na de 'winter of discontent' was de chaos compleet. Toen kon het. De originaliteit van het Franse systeem is dat na Mitterrand het bedrijfsleven opmerkelijk opgefrist was. Het probleem bleef de publieke sector. Daar bestaat geen waarschuwingssysteem, geen druk van de markt. Echte crises blijven uit. De minst slechte oplossing is de verplichting dag in dag uit binnen de opgelegde marges te blijven. Balladur heeft de staatspensioenen iets hervormd. Juppé heeft de ziekteverzekering een beetje getrimd. Het is allemaal niet genoeg, maar het stelt acute problemen uit.”

En Jospins in 2000 verplichte werkweek van 35 uur?

“Die vat ons gesprek goed samen. De logica van het woord en de werkelijkheid. De belofte luidde: 35 uur, zonder verlies aan inkomen of wat dan ook, meer vrije tijd voor iedereen, minder werklozen. En de realiteit: of er gebeurt niets, of de werknemers zullen het moeten betalen. Iedereen - de regering voorop - is het er over eens dat het de ondernemingen niets mag kosten. Dus de lonen worden gematigd, of de produktiviteit moet sterk genoeg toenemen, bijvoorbeeld door meer flexibele werkuren, of de werkgeverslasten worden verlaagd, op kosten van de staat, die dat geld elders moet vinden. Er zijn geen wonderen.”

Waar zijn de werkgevers dan zo bang voor?

“Zij hebben absoluut genoeg van de staat, de papierboel, de warwinkel aan steunregelingen die meer tijd kosten dan ze opleveren. Kleine ondernemers zijn allergisch geworden voor de overheid, of links nu regeert of rechts. Hun enige instinct is: laat ons met rust. De opstand gaat niet zo zeer tegen de Wet op de 35 uur, maar tegen weer een ingrijpende operatie die hen dwingt formulieren in te vullen en met de bonden en de arbeidsinspectie te gaan zitten vergaderen. Met welk doel? Ze begrijpen best dat Jospin in een symbolen-strijd gewikkeld is. Maar ze kunnen er niet meer tegen.”