Emoties bij mensen en dieren; Huilende olifanten en andere misverstanden

Jeffrey Moussaieff Masson & Susan McCarthy: Wanneer olifanten huilen. Het gevoelsleven van dieren. Vassalucci, 333 blz. ƒ 39,90

Steven Rose: Lifelines. Biology, Freedom, Determinism. Allen Lane/Penguin, 335 blz. ƒ 73,70

Wim van de Grind: Natuurlijke intelligentie. Over denken, intelligentie en bewustzijn van mensen en andere dieren. Uitgeverij Nieuwezijds, 347 blz. ƒ 45,-

In een Zweedse dierentuin kreeg een jong olifantmannetje, Bimbo, speciale aandacht van een ouder vrouwtje, Tabu. Toen een jonger kalf, Mkuba, arriveerde, verloor Tabu haar belangstelling voor Bimbo. Bimbo reageerde door Mkuba, wanneer mogelijk, stiekem porren met zijn slagtanden te geven. En Mkuba reageerde hier weer op door Tabu luidkeels en theatraal om hulp te roepen. 'Dit soort gedrag doet zo aan mensen denken dat rigide wetenschappers zich gedwongen voelen eens diep adem te halen en de dieren die ze observeren een nummer te geven in plaats van een naam', zegt Jeffrey Moussaieff Masson hierover in Wanneer olifanten huilen.

Gezien een tranentrekkende naam als 'Bimbo' is dat niet altijd even erg. Het wordt pas erg als wetenschappelijke onderzoekers dieren alléén maar als nummers zien. De Amerikaan Masson, ex-directeur van het Sigmund Freud-archief, heeft een goed oog voor verkoopcijfers. Wanneer olifanten huilen of Honden liegen nooit over de liefde zijn zulke suikerspin-roze titels dat je ze liever uit de weg gaat. Zonde, zo blijkt, in het geval van When Elephants weep (eerder besproken in Boeken 5/11/95).

Die verhandeling over het gevoelsleven van dieren staat bol van bijzondere waarnemingen van opvallend diergedrag uit de wetenschappelijke literatuur. Aan de hand daarvan houdt Masson een op een breed publiek gericht betoog: ook dieren beschikken over emoties als liefde, vreugde, angst, schaamte en eenzaamheid. Olifanten vormen in de mooi aaneengeschreven anekdotes een rode draad, dus de titel is zo slecht nog niet. Masson werkte samen met de in de biologie geschoolde journaliste Susan McCarthy. De weergave van waarnemingen is verantwoord en de soms vergaande interpretaties daarvan staan er goed los van. Hoewel het schrijversduo soms al te fantasievol doet over het grotendeels verborgen gevoels- en geestesleven van insecten en walvissen, maakt het wel degelijk onderscheid tussen de verschillende diersoorten en hun vermogens.

Wat die deels goede waar weer bederft is een terugkerende misvatting. Onderzoekers die zich vooral richten op diergedrag vanuit het perspectief van evolutie en genetische selectie, krijgen er flink van langs. Zij zouden het bestaan van dierlijke emoties ontkennen. Die terugkerende, fanatieke schimmenoorlog van Masson is wat vermoeiend. Onderzoekers ontkennen emoties bij dieren inmiddels niet meer. Maar het vaak besproken en onderzochte evolutionaire aspect van gedrag bevindt zich op een analyseniveau waarbij gevoelsleven en emoties niet noodzakelijk betrokken hoeven te worden. De vraag 'waarom' welke keuzes gemaakt worden, hoeft men niet altijd te combineren met dat andere niveau: 'hoe' ze gemaakt worden.

Volgend op het voorbeeld van olifantengedrag meldt Masson verongelijkt dat onderzoekers liever spreken in termen van het 'monopoliseren', 'verdedigen' of 'bewaken' van partners of soortgenoten, en geen termen als 'liefde' of 'jaloezie' gebruiken. Maar dat hoeft in die lijn van onderzoek ook niet. Het gaat op dat moment alleen om het evolutionaire waarom en om de uitkomst van gedrag. Het gaat pas fout wanneer men tegelijkertijd verschillende meetlatten legt naast mens en dier en analyseniveaus door elkaar haalt, dus als men tegelijkertijd stelt, dat menselijke kinderen jaloezie kennen en olifantkalfjes slechts de neiging tot monopoliseren.

Wanneer het gaat over de keuzes van dieren als evolutionair ontworpen, naar maximaal resultaat strevende voortplanters moet men dat tegelijkertijd met mensen ook doen. Dat laatste werkt vaak verhelderend. En als men kiest voor de meer psychologische benadering, de 'hoe'-vraag met betrekking tot emoties, moet men consequent blijven en voor mensen- en dierengedrag vergelijkbare termen gebruiken.

Kopieerdrift

Het scala aan dierlijke emoties verdient meer wetenschappelijke aandacht, en daarin heeft Masson gelijk. De vertaling van zijn boek bevat wat fouten in diernamen - met over de bladzijden huppelende 'mongoesten' en onbegrijpelijke 'maki's' (halfapen), die de plaats innemen van dwergmangoesten (roofdieren) - maar is voor het overige vloeiend. Voor dit boek geldt: leesbaar, met af en toe een misverstand. Voor Lifelines van de Britse neurowetenschapper Steven Rose geldt: één en al misverstand en nauwelijks leesbaar. Het misverstand is vergelijkbaar met het bovenstaande. Daarvoor moeten we even in de geschiedenis van de lang politiek-incorrect bevonden en verguisde sociobiologie duiken. Die heeft onder de verhullende naam gedragsecologie, een succesverhaal opgebouwd. Belangrijk bestanddeel daarvan is het gen en zijn kopieerdrift. Allerlei diergedrag en ook mensengedrag bleek opeens heel begrijpelijk vanuit het perspectief van het erfelijk materiaal. Ofwel: van het zelfzuchtige gen of The Selfish Gene waarvan de Britse geneticus Richard Dawkins het streven treffend voor een breed publiek in beeld bracht.

Alleen in het commentaar bij natuurfilms hoor je nog weleens dat dieren het goede nastreven voor Hun Soort. Onzin. Soortgenoten zijn niet zelden je grootste vijanden en concurrenten. De eenheid van evolutionaire selectie was niet 'de groep' of 'het individu' maar het erfelijk materiaal dat naar overleving en vermenigvuldiging zocht. Dat bracht twee bronnen van verwarring met zich mee.

De eerste is dat die benadering zou suggereren dat alle gedrag erfelijk is vastgelegd - terwijl genen alle ruimte laten voor flexibiliteit. De tweede is dat de uit gedrag sprekende 'evolutionaire rationaliteit' ook individuele rationaliteit is. Voordeel verschaffend gedrag dat door selectie stevig verankerd raakte, zou dus door het dier of de mens zelf nog eens bewust nagerekend worden. Welnee, een door paardrift overvallen zeeolifant is bij het opbouwen van zijn harem niet genetisch aan het rekenen in kosten en baten maar laat zich leiden door de balans van emoties of zo men wil, van motiveringen en remmingen. Maar Stephen Rose denkt nog steeds dat sociobiologen denken dat zulke afwegingen allemaal wel bewust gemaakt worden. En zo heeft hij wel meer bezwaren.

Rose beargumenteert dat leven afhankelijk is van het uitgebreide web van interacties die plaatsvinden tussen cellen, organismen en ecosystemen, waarin DNA maar een van de vele rollen speelt. Als we het leven willen begrijpen moeten we begrip herwinnen van het gehele levende organisme en het traject dat het door tijd en ruimte aflegt. Zulke trajecten noemt Rose 'lifelines'. Iedere vorm van reductionisme - Rose spreekt bijvoorbeeld graag van Ultra-Darwinisme - moet er aan geloven. Dat allerlei aspecten van menselijk gedrag in de genen zouden schuilen, vindt hij onzin. Het liefst zou hij zijn benadering 'holistisch' noemen, maar hij zegt dat vanwege de associatie met zweverige New Age-benaderingen niet te doen.

De uitdrukking 'een gen voor...' is een soort steno waarvan ook wetenschappelijke onderzoekers weleens vergeten dat ze het gebruiken. In de celkern liggen de zaken wat ingewikkelder. Het gaat om complexen van genetische aanpassingen en succesformules die overleefd hebben. En inderdaad, Rose heeft gelijk: zelfs een gen heeft fysiek niet het eeuwige leven, maar is onderhevig aan slijtage en reparatie, en uiteindelijk resteren alleen kopieën. Maar zoiets is nauwelijks een eye-opener. Dat ondergraaft het idee van zelfzuchtige genen niet, zoals je evenmin kunt zeggen dat een succesfilm die zich in allerlei kopieën heeft verspreid, niet meer bestaat wanneer het origineel verloren is gegaan.

Evolutionaire tendensen

Sommige kanttekeningen zijn welkom, maar zijn ei had hij al gelegd in het met Richard Lewontin en Leon Kamin in 1984 geschreven Not in our genes. De grootste fout die Rose maakt, is wel het willen doden van de wetenschappelijke boodschapper. Wie spreekt van evolutionaire tendensen in gedrag, zegt nog helemaal niet dat zulk gedrag 'natuurlijk' en dus 'goed' zou zijn. Nee, of het nu gaat om xenofobie, of om onder bepaalde omstandigheden voorspelbare tendensen tot verkrachting en infanticide of om de dubbele seksuele moraal ten aanzien van mannen en vrouwen - onderzoekers en theoretici wijzen op zulke evolutionaire tendensen - het geeft hooguit aan dat zulke gedragsmogelijkheden stevig verankerd zijn.

Steven Rose is echter doorlopend beducht voor een verborgen politieke agenda van onderzoekers die de euvele moed hebben zulke onderwerpen aan te roeren. Wie van genetische tendensen spreekt, zou eigenlijk meteen eugeneticus zijn. Rose verlustigt zich liever in het unieke, individueel eigene van mens en dier. Het mooie is dat dat ook kan zonder alle gen-denken overboord te gooien. Statistische voorspelbaarheid van mensengedrag betekent niet dat de biologie iedere individuele levensloop vastlegt. Die geeft een kader aan. Zijn slotbetoog dat plant, mens en dier vrij zijn en niet gedetermineerd, valt dan ook wat loos op de grond. Geen zinnige sociobioloog schuift de interactie tussen aanleg en omgeving terzijde.

Rose leidt een aantal hoofdonderwerpen, variërend van de wetten van Mendel tot hersenstructuur en embryonale ontwikkeling, uitvoerig in. Daarna komt een aantal citaten van steeds maar weer Richard Dawkins uit de lucht vallen, waar Rose badinerend en polemisch tegen te keer gaat. Rose houdt van ouderwets, vormelijk schelden, met veel uitroeptekens en vraagtekens bij zijn afkeurende bewoordingen over 'die Oxford-professor'. Zo'n aanpak werkt niet. Lezers die wel op de hoogte zijn van wat Dawkins of de ook vaak genoemde Daniel Dennett beweren, nemen geen genoegen met zo'n al te korte behandeling. Er is ook geen enkele moeite gedaan om de zaken pakkend te brengen.

Zenuwcellen

Ten slotte een boek zonder misverstand. Wim van de Grind schreef met Natuurlijke intelligentie een degelijke inleiding over wetenschappelijke visies op denken, intelligentie en bewustzijn van mensen en andere dieren. Biofysicus-bioloog Wim van de Grind is als hoogleraar verbonden aan de Vakgroep Vergelijkende Fysiologie en het Helmholtz Instituut van de Universiteit Utrecht. Vragen als 'Kunnen dieren denken?' en 'Hebben ze bewustzijn?' staan centraal. Van de Grind bespreekt de belangrijkste bevindingen van onderzoek naar intelligente systemen en naar het zenuwstelsel als basis van mentale processen. Een mooi overzicht van Descartes tot Dennett, van prefrontale cortex tot hippocampus, en verder.

Van de Grind relativeert de veelbezongen rol van de ratio wanneer het aankomt op het maken van keuzes. Emoties zijn daarbij onmisbaar, en er is dan ook toenemende aandacht voor 'emotionele intelligentie'. Zoals bij onderzoek naar mensen met een laesie in de prefrontale cortex, het deel van de hersenschors net boven de oogkassen. Zulke patiënten zijn emotie-arm. Terwijl er met hun redeneervermogen niets mis is, nemen ze doorlopend foute beslissingen.

Mensen zijn wat dierlijker, en dieren wat menselijker dan vaak erkend wordt. Van de Grind wijst enkele duidelijke overeenkomsten aan. De wijze waarop op celniveau geheugenopslag plaatsvindt, het zogeheten synapsgeheugen, ook aan te passen als mechanisme voor een langetermijngeheugen, blijkt van fruitvliegje tot mens hetzelfde te zijn. Genen en proteïnen die de ontwikkeling van het zenuwstelsel en het leren sturen, zijn vrijwel identiek van fruitvlieg tot olifant en mensaap. En biologische onderzoeksresultaten wijzen inmiddels in de richting van een sterke analogie of zelfs homologie van emoties. Van vluchten tot voortplanten, van probleem oplossen tot onderhouden van sociale relaties: bezigheden gaan gepaard met negatieve en positieve emoties, die min of meer aangeven wat 'goed' is en wat 'slecht' - en daarmee richting geven aan het leven. Ze verdienen een herwaardering in theorieën over intelligent gedrag.

Het brede publiek dat volgens het voorwoord gezocht wordt, komt door de degelijk aanpak 'zonder inhoudelijke compromissen' buitenspel te staan. Van de Grind grossiert in afkortingen, met als meest ongelukkige nog wel de wc-schakelaar en het wc-bewustzijn (Wakker/Coma-bewustzijn), aangevuld met het P- en A- bewustzijn het E- en T-bewustzijn, die onderling weer aardige wiskundige combinaties kunnen volgen met vectoren V1 of V2. Het is een boek voor academici. En als zodanig is het welkom voor filosofie-, psychologie- en biologiestudenten en voor hen die dat in hun vrije tijd graag zijn.

Pas in het nawoord gaat Van de Grind in op vragen als 'kunnen vissen pijn lijden' en 'zijn dolfijnen intelligent'. Ze zijn volgens hem in die vorm onbeantwoordbaar. We moeten dergelijke begrippen ontdoen van hun alledaagse antropomorfe, op de mens geënte betekenis: vissen en dolfijnen zijn andere diersoorten dan de mens. 'Het resultaat is zoiets als: een op pijn lijden van mensen lijkende negatieve emotie met dezelfde vitale functie kunnen we bij alle dieren met meer dan ongeveer x zenuwcellen verwachten. Over het getal x moeten we het dan bij gelegenheid nog maar eens hebben.'

En over jaloezie, schaamte en eenzaamheid ook.