Eenzaam en onmogelijk; J.M. Coetzee over zijn autobiografische roman 'Jongensjaren'

De Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee staat bekend als 'koud'. Zijn werk stond nooit in dienst van een politiek doel, maar is wel diep beïnvloed door de maatschappelijke omstandigheden. Zijn autobiografische roman is net vertaald. Een interview? Alleen per fax en heel summier.

In Worcester slapen kleurlingen in hun blauwe werkoveralls op de stoepen in de langgerekte straten. Ze slapen op het gras naast het Afrikaner museum, ze slapen voor café Dros in Baringstraat. Maar op het grote, smetteloze grasveld voor de witte Nederduits Gereformeerde Kerk slaapt niemand.

Het loopt tegen het middaguur. Alleen in de hoofdstraat, waar straatverkopers hun handel op de stoep hebben uitgestald, heerst bedrijvigheid. Ook bij supermarkt Shoprite in Russellstraat is het druk. Hier werden afgelopen kerst de slachtoffers herdacht van een bomaanslag door drie rechts-extremisten op kerstavond 1996. Vier mensen kwamen daarbij om het leven, zevenenzestig anderen raakten gewond. Het was er de daders - drie Afrikaners - om te doen zoveel mogelijk kleurlingen te doden.

'In Worcester staat altijd wind, schraal en koud in de winter, warm endroog in de zomer. Na een uur buiten heb je fijn rood stof in je haar, in je oren, op je tong,' schrijft J.M. Coetzee over het plattelandsstadje in de droge Karoo, een landstreek in de Kaapprovincie, waar hij belangrijke jaren van zijn jeugd doorbracht. Hij schreef er de autobiografische roman Boyhoodover (vertaald als Jongensjaren).

Er werd in Zuid-Afrika erg naar uitgekeken. De schrijver heeft nooit veel kwijt gewild over zijn persoonlijke leven. The Sunday Independent en The Mail & Guardian, de kwaliteitspers, brachten voorpublicaties. Het weekblad gaf het eerste hoofdstuk, dat begint met de onvoorstelbaar neutrale zinnen: “Ze wonen in een nieuwbouwwijk aan de rand van de stad Worcester, tussen de spoorlijn en het Nasionale Pad. De straten van de wijk hebben bomennamen, maar nog geen bomen. Hun adres is Populierlaan 12. Alle huizen in de wijk zijn nieuw en identiek.”

Meteen volgden de besprekingen. De kop boven de recensie van David Attwell, hoogleraar Engels aan de universiteit van Natal en de man die tussen 1989 en 1991 lange gesprekken met Coetzee - zelf hoogleraar literatuurwetenschap aan de universiteit van Kaapstad - voerde, luidde: 'J.M. Coetzee's onwaarschijnlijke autobiografie geeft een menselijk gezicht aan een schrijver die vaak als koud is ervaren.' De Mail & Guardian schreef: 'Boyhood is een ontroerend boek, emotioneel op een manier die Coetzee's fictie zich zelden toestaat.'

Wat vinden de Zuid-Afrikanen zo gevoelig aan Boyhood? Misschien een herkenbaar fragment als dit, dat zoveel zegt over het blanke leven in Zuid-Afrika, dat nog grotendeels onveranderd is. De ongeveer tienjarige John mag op zijn verjaardag zijn vriendjes trakteren in het plaatselijke koffiehuis, Café Globe. Terwijl ze zich te goed doen aan het ijs komt er een stel haveloze kleurlingenkinderen voor het raam staan: 'Als hij iemand anders was, zou hij de Portugees met het Brillantinehaar van wie de Globe is, vragen om ze weg te jagen. Het is volkomen normaal om bedelende kinderen weg te jagen. Je hoeft alleen maar een dreigend gezicht te trekken en met je armen te zwaaien en te schreeuwen: 'Voetsek, hotnot! Loop! Loop!' (-) Maar als hij zou opstaan en naar de Portugees zou lopen, wat moest hij dan zeggen? 'Ze bederven mijn verjaardag, het is niet eerlijk, ik voel een steek in mijn hart als ik ze zie'? Wat er ook gebeurt, of ze nu worden weggejaagd of niet, het kwaad is al geschied, zijn hart doet al pijn.'

Fax

Waarom zou Coetzee, de meest afstandelijke en tegelijk een van de meest betrokkene van alle Zuid-Afrikaanse schrijvers, een autobiografisch boek schrijven? Wat hoopte hij te vinden in een verhaal over zijn jeugd?

“Good luck”, was de schampere reactie van een paar Zuid-Afrikaanse journalisten op mijn voornemen Coetzee te spreken. Het is inmiddels algemeen bekend: Coetzee houdt niet van interviews. Hij geeft ze zelden of nooit. Vragen over zijn persoon beantwoordt hij niet, visies op eigen werk laat hij over aan zijn critici.

De Nederlandse uitgever van zijn vertalingen bemiddelde en ja, de heer Coetzee wilde de deur op een kier zetten. Maar vooraf graag eerst de vragen, op papier. Nadat ze hem waren toegefaxt, belde ik op. Ja, hoorde ik tot mijn vreugde, hij wilde ze wel beantwoorden. Maar: alleen schriftelijk. Ik sputterde tegen. Een interview, zei ik, bestaat toch bij de gratie van het gesprek zelf, zoals (hier gooide ik een van zijn eigen opvattingen in de strijd) schrijven zich ontwikkelt tijdens het schrijven? Coetzee antwoordde beleefd: “Is het goed als ik de antwoorden eind van de week fax?” Zijn antwoorden formuleert hij zo zuinig mogelijk. Op mijn twaalf vragen, rond de 700 woorden op twee A4-velletjes papier, kreeg ik 300 woorden terug, krap één velletje tekst.

Het boek zelf

Wat hoopte hij te vinden in het schrijven over zijn kinderjaren? Coetzee faxt: “Het cruciale woord in deze vraag is (verrassend) 'wat'. 'Wat' je hoopt te vinden in het schrijfproces is niet 'iets' dat in een paar woorden neergezet kan worden (als dat kon, wat zou dan de zin zijn van het bewaren van wat je geschreven hebt? - je zou het evengoed kunnen weggooien en het 'iets' kunnen bewaren waarnaar je 'zocht'). Wat je zocht - zoals je ontdekt aan het eind van de weg - blijkt niets meer en niets minder te zijn dan het boek zelf.”

Dat lijkt een andere manier om te zeggen: zoek de antwoorden op uw vragen in mijn werk.

Wat zocht Coetzee? Misschien zijn eerste herinnering: 'Hij buigt zich uit het raam van hun flat (). Vanuit de verte komt er een auto door de straat racen. Een hond, een kleine gevlekte hond, rent ervoor langs. De auto raakt de hond: zijn wielen gaan midden over het hondenlijf. Met verlamde achterpoten sleept de hond zich weg, gillend van de pijn. Hij zal ongetwijfeld doodgaan; maar op dat moment wordt hij weggetrokken van het raam.'

De schrijver vervolgt: 'Het is een schitterende eerste herinnering. Maar is het echt gebeurd? Waarom boog hij zich uit het raam om naar een lege straat te kijken?'

De lezer is gewaarschuwd - niet voor niets schrijft Coetzee over zijn jongensjaren in de derde persoon. Een sentimentele terugblik is niet te verwachten, en de valkuil van narcisme - een verwijt dat hij het zelfbespiegelende proza van Breytenbach eens maakte - gaapt bij een 'waarheidsgetrouwe' autobiografie. Coetzee: “Ik weet niet zeker of narcisme altijd een valkuil is. Zolang je niet verdrinkt in je gereflecteerde beeld, kunnen narcistische exploraties erg vruchtbaar zijn.”

Pak slaag

De jonge Coetzee wordt door de schrijver neergezet zonder mededogen. Het is een eenzaam, intelligent en onmogelijk kind. Hij houdt van zijn moeder, maar kan haar chanterende moederliefde niet uitstaan. Zijn vader is een vreemde voor hem, een man zonder standpunten. Op school houdt hij zich gedeisd en probeert hij in alles de beste te zijn: de gedachte dat hij zelf, net als alle anderen, ooit een pak slaag voor de klas zou kunnen krijgen, doet hem huiveren van afschuw. En het is niet zozeer de slaag die hij verafschuwt, maar de schaamte. 'Of hij nu geslagen wordt, of zich tegen slaag verzet, het maakt niet uit, hij zal sterven', schrijft Coetzee.

Geen wonder dat John bij het schrijven van saaie opstellen over onderwerpen als 'veiligheid langs de weg' beseft dat hij eigenlijk iets heel anders zou willen schrijven. 'Wat hij zou schrijven als hij kon (-) zou iets duisterders zijn, iets wat zich, zodra het eenmaal uit zijn pen begon te vloeien, onbeheersbaar over de bladzij zou verspreiden, als gemorste inkt. Als gemorste inkt, als schaduwen die zich over het oppervlak van stilstaand water reppen, als de bliksem die door de lucht kraakt.'

Coetzee's koele, intellectualistische, werk wordt minder 'koud' in het licht van de erfenis van het misdadig regime. Wachten op de barbaren (1980), dat algemeen als een 'allegorie' gezien werd, is - zo blijkt nu uit de zittingen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie die bijna dagelijks te volgen zijn op radio en tv - een huiveringwekkend realistische beschrijving van een man, een magistraat, die zijns ondanks in verzet komt tegen het regime ('The Empire'), in de martelkamers van de veiligheidspolitie ('The Bureau') terechtkomt en daar zijn menselijke waardigheid verliest - en ten slotte zijn schaamte.

De hel die de man doormaakt, de pijn en de vernederingen tot in detail beschreven, de beschouwingen over de drijfveren van de folteraar en de relatie tussen folteraar en gefolterde - het is de verbeelding van de Zuid-Afrikaanse waarheid onder de apartheid: honderden mensen maakten de gang naar de martelkamers van de Zuid-Afrikaanse veiligheidspolitie.

Op de zittingen van de Waarheidscommissie hoort (blank) Zuid-Afrika nu, zoveel jaar later, de slachtoffers vertellen over de pijn, de vernedering en de schaamte die hun werd aangedaan. Een enkele keer heeft ook een dader de moed te vertellen wat er plaatsvond in de verhoorkamers. Een paar maanden terug deed een oud-veiligheidsagent op een zitting voor hoe hij mensen een zak over het hoofd trok, en pas losliet wanneer ze bijna gestikt waren. Het zijn onvoorstelbare verhalen en beelden. Waiting for the Barbarians is een verbeelding van die onvoorstelbaarheid. En het verscheen al in 1980, toen de gewelddadigste jaren van de apartheid nog moesten komen.

Drie jaar later kwam Life & Times of Michael K uit, het verhaal van een tuinman, een eenling met een hazelip, die op de vlucht is voor de burgeroorlog die om hem heen woedt. Hij wordt twee keer gevangengenomen, belandt in een kamp en weet te ontsnappen. Op een verlaten boerderij overleeft hij door het kweken van pompoenen. Op een dag kampeert er een groep guerrillero's bij de boerderij. Michael K krijgt de kans zich bij hen aan te sluiten, maar hij doet het niet. De roman is voor een groot deel gewijd aan de lichamelijke overleving van K. K weigert zijn onafhankelijkheid op te geven, en betaalt daarvoor met zware ontberingen: hij is steeds op de rand van de hongerdood.

Ook in Age of Iron (1990) staat fysiek lijden centraal. Elisabeth, een gepensioneerd universitair docente, heeft kanker en weet dat ze niet lang meer te leven heeft. Ze verlangt naar haar dochter die gekozen heeft voor een leven in Amerika, ver weg van het land dat je als blanke tot medeplichtigheid veroordeelt. Elisabeth's gemis en pijn vermengen zich met het leed van haar zwarte hulp die haar zoon verliest in de scholierenopstanden (hij wordt doodgeschoten). De nauwkeurige, kale stijl waarin Coetzee de hulpeloosheid tegenover het leed beschrijft, is pijnlijk ongemakkelijk. Het knarst als zand tussen de tanden en laat je achter met het besef dat in het aangezicht van lijden en dood elk politiek (correct) denken, hoe noodzakelijk ook, zijn zin verliest.

De obsessie van de schrijver voor het lichaam, voor pijn, is zo frappant dat het gerechtvaardigd is te denken dat Coetzee zelf een overweldigende angst voor lijden, en voor geweld, moet hebben.

Held

Zou de notie 'koud proza' misschien iets te maken hebben met het feit dat Coetzee nooit literair activisme heeft bedreven? Dat hij zich nooit, zoals Gordimer en Brink, in de Zuid-Afrikaanse actualiteit heeft gestort?

Nadine Gordimer stipte in haar bespreking van Michael K de vraag aan wie of wat Michael K eigenlijk representeerde tegenover de onderdrukkende machten. In een reactie daarop zei Coetzee dat dat zoiets was als vragen: waarom schreef hij niet een ander boek, een met een held-met-ruggegraat? 'Voor een lezer die deze lijn volgt, is de tekst van Michael K slechts de ene handige ontwijking na de andere van een allesoverheersende politieke vraag: hoe kan de tyrannie van apartheid beëindigd worden?', zei Coetzee in een van de interviews met David Attwell van de Universiteit van Natal in Doubling the Point (1992).

Zouden Coetzee's 'tijdloze' romans slechts min of meer toevallig ontstaan zijn in Zuid-Afrika, zoals wel wordt beweerd? Ik betwijfel het. Ik geloof dat elke letter van zijn werk geschreven is vanuit het besef van medeplichtigheid, als een verantwoording voor een leven in Zuid-Afrika. Een land, zoals Coetzee schreef in 1986 in zijn belangwekkende essay Into the dark chamber: The Writer and the South African State, waarin je 'met je dagelijkse zaken bezig kunt zijn op roepafstand (behalve dat de kamers geluidsdicht zijn) van mensen die het uiterste lijden ondergaan.' Maar ook een land met een schoonheid waaraan Coetzee, getuige de bijna tastbare beschrijvingen van het Zuid-Afrikaanse landschap - vooral van de knisperend droge Karoo - innig verknocht moet zijn.

Coetzee, op de vraag of Zuid-Afrika hem dwong te schrijven wat hij schreef: “Dwong is een ongewoon woord in deze context. Nee, Zuid-Afrika dwong mij niet, hoewel het mij klaarblijkelijk ten diepste beïnvloed heeft.”

In Into the dark chamber formuleert Coetzee zijn poetica als medeplichtig schrijver. Hij gaat daarin in op de bijzondere aantrekkingskracht van de Zuid-Afrikaanse martelkamers op schrijvers, een aantrekkingskracht die in de hand werd gewerkt door het feit dat het in Zuid-Afrika verboden was in woord of beeld 'representaties' te maken van politiebureaus of gevangenissen. Daarmee stelde de staat de schrijver voor het dilemma óf de 'obsceniteiten van de staat' (Coetzee) te negeren óf er toch voorstellingen van te geven. 'Nochtans is er iets smakeloos aan om de staat op deze manier te volgen', schrijft Coetzee. 'De echte uitdaging is: hoe niet het spel te spelen volgens de regels van de staat, hoe je eigen autoriteit te vestigen, hoe marteling en dood te verbeelden op je eigen voorwaarden'.

Moeten we in dat licht niet de jonge John zien wanneer hij niet wil schrijven wat de meester voorschrijft, maar iets totaal anders, iets 'als gemorste inkt'? En moeten we in Coetzee's jaren in het nationalistisch-Afrikaner Worcester niet de oorsprong zoeken van de fixatie van de schrijver op het (gepijnigde) lichaam en het lijden: de 'eerste herinnering', de lijfstraffen op school, de aanblik van de haveloze kleurlingenkinderen, de angst voor de rauwe Afrikaner jongens die hem als Engelssprekend jongetje als 'volksverraaier' kunnen brandmerken (en aftuigen)?

Na drie jaar Worcester verhuisde het gezin Coetzee naar Kaapstad. Coetzee studeerde wiskunde en informatica en zwaaide vervolgens om naar taalwetenschap en letterkunde. Hij studeerde en werkte tien jaar in Engeland en Amerika en keerde rond zijn eenendertigste, met vrouw en twee kinderen, terug omdat zijn visum niet verlengd werd. Hij kreeg weliswaar aanbiedingen voor werk in Canada en Hongkong, maar koos toch voor Zuid-Afrika. “Voor mijn schrijven was een eenzaam leven noodzakelijk”, bericht Coetzee als laatste van zijn beknopte antwoorden. “Maar mijn temperament was toch al eenzaam.”

In de Populierlaan in Worcester groeien tegenwoordig bomen, maar populieren zijn het niet. Nummer 12 wijkt van de andere huizen af doordat het gepleisterd is en roze geverfd. De bewoners zijn niet thuis. Een buurvrouw, in de tuin bezig een kind in bad te stoppen, heeft nooit van de Coetzee's gehoord. Ze wijst naar het huis van de oudste bewoner in de buurt, mevrouw Koch op de Cipresweg. Mevrouw Koch, het spierwitte haar in een knoet, pijnigt haar hersens. Ze gaat alle Botha's, Jooste's en Roelofsen's af die op de nummers 10, 12 en 14 gewoond hebben. Maar Coetzee: “Schrijver zegt u?” Nee.

Vertalingen van het werk van J.M. Coetzee worden uitgegeven door Ambo