Een huis met tien Pruisen; De zeven nare jaren van Gustave Flaubert

Gustave Flaubert was niet links, hield niet van kranten en had het vaak over geld. Maar wie zijn brieven leest, waarvan nu het vierde deel is verschenen, steekt ook veel op over het literaire werk van de schrijver.

Flaubert: Correspondence IV (januari 1869-december 1875). Uitgegeven en geannoteerd door Jean Bruneau. Gallimard, Pléiade-bibliotheek, 1484 blz. ƒ 159,60

Vijfentwintig jaar geleden las ik het eerste deel van de Flaubert-correspondentie in de Pléiade-editie. Wat een verrukkelijk boek! De opwindende romance en breuk met Louise Colet! De reisbrieven aan zijn moeder en aan zijn vrienden uit het Nabije Oosten! Er stonden maar 380 brieven van Gustave Flaubert in dat eerste deel, dat is ongeveer tien procent van het aantal brieven dat wij van hem kennen en ongeveer vijf procent van het aantal brieven dat hij in zijn leven schreef. Ik geef in het staatje van de vier nu verschenen delen: het aantal brieven van Flaubert zelf, het aantal pagina's dat de eigenlijke correspondentie bevat, en het aantal extra pagina's dat behalve de noten en varianten ook nog allerlei interessant materiaal bevat, zoals de dagboekaantekeningen van Louise Colet.

Als het in dit tempo doorgaat, verschijnt over zeven of acht jaar het vijfde deel, dat de vijf laatste jaren van Flaubert (die van 1821 tot 1880 leefde, dus geheel binnen de leefperiode van Multatuli) beslaat. Nu al weten we dat sommige brieven van Flaubert die er nog wel zijn, niet afgedrukt mochten worden. Een brief waarvan de inhoud niet gepubliceerd werd, is nu eenmaal twee keer zo veel waard als een wel gepubliceerde. Je zou denken dat de gevoeligheden van familieleden na meer dan een eeuw verdwenen zijn, maar dat is in Frankrijk niet het geval.

Dit vierde deel bevat 76 nieuwe brieven van de meester, terwijl de vorige drie er samen maar 133 aan het licht brachten. Maar het gaat om de verbeteringen op de vroegere slordige brieven-uitgaven en om de presentatie en annotatie. Wie de duizend pagina's tekst plus de vijfhonderd pagina's bijwerk van dit vierde deel uit heeft, heeft zich nooit verveeld en bezit een beeld van het leven van dag tot dag van de schrijver van Madame Bovary dat geen biografie kan evenaren.

In het eerste deel schreef Flaubert gemiddeld één brief per drie weken, in het tweede één brief per week, in het derde twee brieven per week en nu schrijft hij één brief per twee dagen. Maar er zijn dagen dat hij zes brieven tegelijk verstuurt, en het is altijd spannend om te zien hoe hij dezelfde nieuwtjes op dezelfde manier, of toch lichtelijk anders, aan zijn vaste correspondenten meldt. Die vaste correspondenten zijn in dit deel: George Sand, met wie hij behalve een vriendschappelijke en literaire ook een zakelijke relatie onderhoudt, zijn nicht Caroline, zijn trouwe vriendin prinses Mathilde (nicht van de keizer die tot 1871 Frankrijk regeert) en enkele vrienden, onder wie Toergenjev en de broers Goncourt, van wie Jules in 1870 sterft. Eigenlijk is in al die brieven het vriendschappelijke vermengd met het zakelijke.

Het zijn geen vrolijke jaren voor Gustave Flaubert. Weliswaar verschijnt eindelijk de Sentimentele Opvoeding, waar hij zo lang aan gewerkt heeft en dat zijn eigen jaren als student in Parijs behandelt met dezelfde eerlijkheid en grofheid die Vestdijk aan Anton Wachter schonk, en weliswaar voltooit hij De Heilige Antonius en begint hij aan wat zijn laatste roman zal worden, Bouvard en Pécuchet, maar tegenslagen van allerlei aard treffen hem.

Zijn moeder sterft, en diverse vrienden sterven. Dat is normaal bij een man van vijftig. De dood van zijn moeder betekent dat het landhuis in Croisset waar hij woont, eigendom wordt van zijn nicht Caroline, al laat die hem er in wonen. De dood van zijn vriend Louis Bouilhet veroorzaakt een hilarische reeks pogingen om diens gedichten te laten drukken en diens toneelstuk op te voeren, beide met weinig succes. Opmerkelijk is dat Flaubert in de brieven over Bouilhets dood steeds weer schrijft dat deze, ondanks de aandrang van zijn zussen (die behalve voor de kerk ook voor de meubeltjes naar het sterfbed renden) geen pastoor heeft toegelaten. Dat Flaubert en Bouilhet antikerkelijk waren, is niet verwonderlijk, maar dat ook al die, zeer verschillende, correspondenten dat evenzeer waren, werpt een ander licht op de zogenaamde ontkerstening in deze eeuw, die kennelijk in 1869 al ver gevorderd was.

In 1870 verovert Duitsland Frankrijk, de keizer vlucht, Frankrijk wordt een republiek en in Parijs wordt de eerste socialistische revolutie bloedig neergeslagen. Natuurlijk vinden we daarvan diepe sporen in de brieven. Maar wat Flaubert toch het meest dwars zit, is dat er tien Pruisen met drie paarden in zijn huis zitten en dat die moffen voor tien frank per dag hout opstoken. Nicht Caroline is naar Engeland 'gevlucht', maar uit de noten blijkt dat zij daar vooral heen is vanwege een minnaar. Haar echtgenoot zorgt in 1875 voor de grootste crisis in deze zeven nare jaren.

Je hoort vaak dat Flaubert zo edel was om de schulden van die aangetrouwde neef te betalen, zodat zijn nicht zich niet hoeft te schamen. Maar uit deze brieven komt toch een wat ander beeld naar voren. De schrijver heeft al jaren een zakelijke relatie met Commanville, de man van Caroline, die een houthandel heeft in Dieppe. Hij geeft hem introducties en bemiddelt in leningen. Hij vraagt prinses Mathilde haar invloed aan te wenden hem consul van Zweden te maken. 'Hij kent alle noordelijke talen!' Hij wordt tenslotte consul van Turkije. Je krijgt de indruk dat Commanville speculeert op een stijgende houtprijs, en dat Flaubert hem daarvoor de financiële steun geeft. Die speculatie mislukt. Maar als hij was gelukt, dan zou Flaubert ook een deel van de winst geïncasseerd hebben.

We hoeven dus niet zoveel medelijden te hebben. Hij klaagt wel tegen iedereen dat hij misschien Croisset zal moeten verlaten, maar dat huis is nu eenmaal niet zijn bezit. Ten slotte verkoopt hij een boerderij bij Deauville voor 200.000 frank (toch zeker twee miljoen gulden nu) en kan zo verder leven als voorheen. Maar dan heeft hij zich al vertwijfeld afgevraagd of hij soms zo ver zal zakken dat hij een baan zal moeten zoeken.

In politiek en gedachtengoed blijkt Flaubert aanzienlijk conservatiever dan andere kunstenaars van die tijd. Hij is zowel tegen het keizerrijk als tegen de republiek, maar zijn grootste woede wekt toch de Parijse commune op. Al zijn vrouwelijke correspondenten vergast hij, in wisselende terminologie, op de getuigenis van een pétroleuse die op één dag achttien mannen op de barricaden over zich heen krijgt. George Sand krijgt een compliment omdat ze in een krant het canaille ook canaille heeft durven noemen. Hij had haar kennelijk linkser ingeschat.

Trouwens: Flaubert vindt het in kranten schrijven buitengewoon onfatsoenlijk voor een serieuze schrijver, tenzij hij crepeert van de honger. Maar hij schrijft wel brieven aan allen die in kranten publiceren of ze alsjeblieft over de dichtbundel van zijn overleden vriend willen schrijven.

Opvallend afwezig is de naam van Louise Colet. Wij weten dat zij naast Sainte Beuve woont en het is wel grappig dat zij met die oude baas een vertrouwelijke relatie heeft, die Flaubert nu heeft met de ook al bejaarde George Sand. Flaubert roddelt dat Louise tijdens de Parijse troebelen in de kelder bij Beuve zat, maar uit het boek dat Francine Du Plessix Gray over Louise Colet schreef (Rage and Fire, Penguin 1995) weten we dat het anders zat. Flaubert schrijft aan een vriendin in Mantes dat hij 'natuurlijk' niet naar Mantes (op de spoorlijn Parijs-Rouaan) kan reizen. Dus iedereen weet kennelijk dat hij in dat stadje zijn stormachtige liefde met Louise vierde. Even is er de angst dat Colet zijn brieven zal publiceren. Flaubert en zijn vrienden verbranden heel wat brieven, maar ondanks wederzijdse afspraken, laten ze er gelukkig ook heel wat onverbrand. In de post tussen de mannen kun je de waarheid onverbloemder lezen.

Wie meer in de schrijver dan in de mens is geïnteresseerd, komt in dit dikke deel ook aan zijn trekken. Om de locaties van zijn Sentimentele Opvoeding goed te beschrijven, rijdt hij hele dagen in een rijtuig door Parijs en een vriend krijgt de vraag voorgelegd hoe een geboortekliniek er van binnen uit ziet en hoe een vroedvrouw tegen een onwillige vader zegt dat ze het kind kan laten verdwijnen. Als die informatie zelf niet genoeg is, gaat hij zelf zo'n kliniek bezoeken. In november 1869 verschijnt het boek in een oplage van 3.000 exemplaren, en met voorpublicaties in dertig kranten.

De recensies zijn niet juichend, waar ze trouwens ongelijk in hebben. In 1873 zijn die 3.000 boeken nog niet verkocht. De uitgever betaalde de auteur 16.000 franken, dankzij de handige bemiddeling van mevrouw Sand. Als dank kan men in de correspondentie nog wat antisemitische opmerkingen over de uitgever lezen, zowel van Flaubert als van Sand. Ik weet dat zulks toen normaal was en het zijn er minder dan bij vele tijdgenoten, maar prettig lezen is het niet.

Verrukkelijk is de manier waarop hij reageert op de boeken en manuscripten die hij krijgt toegestuurd. Altijd heel beleefd en hartelijk, maar dikwijls met dodelijke opmerkingen over de stijl, of met de mededeling dat hij echt geen tijd heeft gehad om het te lezen. Een manuscript van de dame uit Mantes stuurt hij onmiddellijk naar een uitgever door met die aanbeveling dat de schrijfster 'zo mooi als een hart' is. Het manuscript raakt weg.

Een half jaar na de dood van zijn moeder schrijft Flaubert de meest enthousiaste brieven uit deze zeven jaar: hij bereidt dan zijn roman tegen de domheid voor, en leest allerlei handboeken over de geneeskunst en tuinieren. Maar vierhonderd bladzijden en drie jaar later is hij door zijn zakelijke tegenslag zo aangeslagen dat hij het hele idee in de steek zegt te laten. Wij weten dat het boek, na zijn leven, zal verschijnen.

Het mooiste blijven toch de zinnen die hij, ook in grote haast, en in brieven waarvan hij nooit gedacht kan hebben dat ze afgedrukt zouden worden, neerschrijft. Voorbeelden kosten te veel ruimte om uit te leggen. De noten van Jean Bruneau zijn perfect. Hij herhaalt vaak informatie, zodat je ook bij het lezen van een enkele brief geïnformeerd wordt. Bruneau zegt het ook als hij van een kwestie niets begrijpt - dan weet je dat het niet aan jou ligt. Hij is de voorzichtigheid zelve. De brieven van Flaubert aan de 37-jarige weduwe Léonie Brainne worden duidelijker verliefder. Haar brieven zijn er niet - een teken? Hun afspraken zijn op vreemde uren. Maar Bruneau schrijft beleefd dat wij slechts kunnen gissen naar wat er tussen die twee is.

Op 11 oktober 1875 schrijft Flaubert aan Sand: 'Ik heb 6.000 of 7.000 frank per jaar nodig, plus het gebruik van Croisset'. Is een frank in 1875 een tientje nu? Dat hangt er sterk van af in welke schicht de maatschappij leeft. Wie de bedragen die hij elke maand weer via Caroline aan haar echtgenoot vraagt, bij elkaar optelt, komt op veel hogere uitgaven. De opvoering van zijn eigen toneelstuk wordt een mislukking, hij klaagt: 'Ik heb de chef van de claque zelfs niet gezien!'

Het lijkt raar om bij een zo gevoelig en edel schrijver als de schepper van Bovary veel over geld te zeuren, maar laat ons eerlijk zijn: het gaat in Flauberts brieven ook heel vaak over geld, en geld is bij Bovary een belangrijk gegeven. Haar pogingen om geld te lenen vlak voor haar zelfmoord moeten Flaubert ook door het hoofd zijn gegaan bij zijn pogingen om leningen voor zijn geruïneerde neef te verkrijgen.

Behalve met zijn collega's Sand en Toergenjev correspondeert Flaubert ook met de schrijvers Feydeau (vader van de kluchtenmaker), Daudet, Zola, Gautier. Niet met schilders, die waren in de vorige eeuw veel linkser dan de schrijvers.