Doris Lessing onopgemaakt in memoires

Doris Lessing: In de schaduw. Uit het Engels vertaald door Christien Jonkheer. Bert Bakker, 346 blz. ƒ 59,90 Engelse editie: Walking in the Shade. Harper Collins, ƒ 69,60

Doris Lessing kwam in 1948 met een zoontje in Londen aan uit haar geboorteland Rhodesië, waar zij het tot haar dertigste had uitgehouden en niet onbekend was gebleven als rebel en beginnend schrijfster. Het eerste deel van haar autobiografie, Onder mijn huid (Under my Skin) ging over haar leven daar. Nu vertelt zij in een tweede deel, waarvan de vertaling bijna tegelijk met het origineel verschenen is, over haar ervaringen in Engeland tot 1962.

Zij had het niet breed in deze dertien jaar. Al maakte zij naam als romanschrijfster, haar boeken brachten nog weinig op, en zij liet zich maar bij uitzondering overhalen om stukjes te schrijven voor het geld. Het was een modaal ongeregeld artiestenleven dat zij leidde, eerst in een flatje in Notting Hill, toen in Earl's Court waar dag en nacht de vrachtauto's voorbij bonkten, daarna in een blok met cementen gangen bij Oxford Circus, ten slotte achter Euston Station in een afbraakpandje dat zij moest helpen opknappen. Zij schreef haar werk, verzorgde haar zoon, ontving haar vasthoudende en haar voorbijgaande minnaars, kreeg steeds meer vrienden en bekenden en mengde zich in politieke acties en discussies. Het waren overvolle jaren.

De hoofdthema's van haar autobiografie zijn haar eigen ervaring en ontwikkeling en de Londense metamorfose van naoorlogse ruïne tot bakermat van de swinging sixties. Zij herinnert zich veel wat een gemiddelde tijdgenoot nooit opgemerkt zou hebben of vergeten zou zijn. Als het moest kon zij over dezelfde periode best een tweede boek van driehonderd pagina's schrijven. De lezer zou er meer van profiteren als zij de bestaande tekst inkortte en de vrijgekomen ruimte benutte voor anekdotes en intimiteiten die zij nu overgeslagen heeft. Zij is altijd een scherpziende en doordenkende auteur geweest. Sommige van haar boeken in hun geheel, andere ten dele voeren de lezer mee naar een verduidelijkte wereld, maar zij merkt soms niet dat zij te lang doorgaat. Ook in de autobiografie komen reeksen pagina's voor die de leeslust te machtig zijn. Zou het verder zo blijven, denkt de lezer even: is het afgelopen met de levensechte personen en de klinkklare ideeën die zich een kwartier geleden aan mij voordeden?

Gelukkig blijkt het dan niet afgelopen. Na nog enkele van zulke pagina's, gaat Lessing weer regelrecht tot de verbeelding spreken, maar zij blijft wisselvallig. Meestal wanneer de tekst langdradig wordt, heeft zij het over algemeen bekende punten van discussie, over politieke en sociale verhoudingen en over psychische beklemmingen. De lucht wordt pas weer helder, wat nog niet wil zeggen zonnig, als zij vrijuit haar eigen indrukken beschrijft.

Als voorbeeld in miniatuur van hoe goed haar verteltrant soms uitvalt kan de beschrijving dienen van een ongelukje aan het Spaanse strand: 'In de buurt van Valencia stond een bordje met HIER NIET ZWEMMEN - GEVAARLIJK, maar ik ben toch die hoge lokkende golven ingegaan, waarop één zo'n golf mij optilde en me onder water op het zand smeet; met mijn oren vol zand en gruis kroop ik het water uit. Jack bracht me naar het plaatselijke ziekenhuis waar hij met de andere arts communiceerde in het Latijn, aldus bewijzend dat het bepaald geen dode taal is.' Het is een pronkstukje: zoveel als hier verteld wordt zonder dat het er staat.

De langdradige stukken komen minder vaak voor dan de levendige, maar zij duren langer: over pijn en lijden en de overeenkomsten tussen christendom en communisme; over de werkelijke ervaring van schrijvers en wat zij in een roman zetten; over karakteristieken van de levensstijl in de jaren zestig.

Het voordeel van de afwisseling is dat wij een geloofwaardige indruk krijgen van een tijdgenote, niet een supervrouw die ons overtroeft met alles wat zij meedeelt. Doris Lessing vertoont zich onopgemaakt aan haar lezer, ook wanneer zij vertelt over haar inconsequente relaties met het communisme waar zij een tijd lang in geloofde.

Aan het slot worden lezers die nog twijfelen of zij er verstandig aan hebben gedaan hun tijd met dit boek door te brengen over de streep geholpen door de verhalen over de eerste maanden in het huis bij Euston: de aannemer, de klusjesmannen, de zieke timmerman, de buurvrouw met de onderdanige echtgenoot, het eigenmachtige onbekwame gemeentebestuur - een wrede kluchtige komedie die uit Rusland had kunnen komen.

In de Engelse uitgave van het boek staan meer foto's dan in de verdienstelijke vertaling van Christien Jonkheer. Vaak zijn illustraties weinig waard; in dit geval worden zij gemist, omdat zij hadden kunnen tonen hoe aantrekkelijk Doris Lessing er uitzag met krulhaar op haar dertigste, hoe zij zich verbreedde in de volgende tien jaar en zich toegespitst heeft bij het ouder worden.

Daar gaat het niet om, zal een purist zeggen; maar de lezer van haar autobiografie voelt zich in een verre persoonlijke relatie met haar en wil haar af en toe graag even zien.