De woede

De eekhoorn en de mier maakten een verre reis. Ze liepen langs het strand van de oceaan, door de woestijn en door de steppe. Ze werden moe en de eekhoorn zei: 'Zullen we weer eens teruggaan?'

Maar de mier schudde zijn hoofd en zei: 'We gaan nog iets verder.'

Plotseling zagen ze iets groots en donkers, midden in de steppe.

De eekhoorn deinsde achteruit en vroeg: 'Wat is dat?'

'St.' zei de mier. 'Dat is de woede.'

'De woede??' vroeg de eekhoorn.

'Ja', zei de mier. 'De woede.'

'Je bedoelt: de boosheid?' vroeg de eekhoorn.

'Nee', zei de mier. 'De woede. De echte woede.' Hij keek de eekhoorn even van opzij aan. 'Daarbij vergeleken is de boosheid een aardigheidje.'

De eekhoorn zei niets, maar er verschenen rimpels in zijn voorhoofd en hij dacht dat hij liever een aardigheidje zag dan de woede, die er groot en kwaadaardig uitzag.

'Hij slaapt', zei de mier.

'Is de woede iemand?' vroeg de eekhorn verbaasd.

'St.' zei de mier. 'Dat weet ik niet. Maar hij slaapt wel. Als hij wakker is, is hij heel anders.'

'Hoe dan?' vroeg de eekhoorn.

De mier schudde zijn hoofd. Hij kon dat niet uitleggen. Hij keek ernstig en voorzichtig. Nog nooit had de eekhoorn hem zo ernstig en voorzichtig zien kijken.

'Waarom ligt hij hier?' vroeg de eekhoorn.

'Hij ligt soms hier, soms ergens anders', zei de mier.

'Wie maakt dat uit?'

'Hij zelf.'

De eekhoorn kreeg het plotseling heel koud en rilde. Hij wilde dat ze nooit op reis waren gegaan, zodat hij nooit van de woede had gehoord. Hij was bang dat hij hem nooit meer zou kunnen vergeten.

'Is hij altijd zo groot?' fluisterde hij. De woede reikte bijna tot aan de hemel en tot ver in de verte voorbij de horizon.

'Soms is hij nog groter', zei de mier.

'Ziet hij er altijd zo uit?' vroeg de eekhoorn. De woede had uitsteeksels en slijmdraden en paarse bulten.

'Soms ziet hij er nog veel erger uit', zei de mier.

Ze hoorden iets rommelen, binnen in de woede.

'Wat zou hij willen?' vroeg de eekhoorn.

'Razen', zei de mier. 'Storen. Dingen omvergooien.'

'Laten we gaan', fluisterde de eekhoorn.

Op hun tenen slopen ze weg. Na een tijdje begonnen ze te hollen. Achter zich hoorden ze een steeds luider gerommel. Ze hoorden ook plotseling een gekrijs. Ze hadden nog nooit zoiets hards en schels gehoord.

'Niet omkijken!' riep de mier.

'Nee!' riep de eekhoorn.

Er vlogen grote, scherpe dingen rakelings over hun hoofd.

'Nu smijt hij met zichzelf', zei de mier.

'St', zei de eekhoorn. 'Hollen.'

Pas uren later was het weer stil.

De mier en de eekhoorn bleven staan, aan de rand van de steppe. De lucht was blauw en de horizon was recht en laag.

Ze gingen op de grond zitten en zeiden niets.

Het werd avond en ze vielen in slaap. Ze probeerden niet te dromen en tot hun geluk droomden ze die nacht niet.